Stichting van de Kolonie

Buitenland lijkt binnenland

          Als de emigranten in Michigan aankwamen, waren ze stomverbaasd dat het heel erg op Nederland leek. Want ze zagen oude bekenden en hoorden hun eigen taal en dialecten. Als ze weken hadden gereisd, in angst van de onzekerheid, kwamen ze aan in gezellige dorpjes, bijvoorbeeld Vriesland. Ze voelden zich thuis, terwijl ze zo ver van hun vaderland waren. Soms moesten ze tranen met tuiten huilen als ze aankwamen, wat even emotioneel was als toen ze vertrokken uit Nederland.
          Door de vele brieven die naar huis werden gestuurd, konden geïnteresseerden veel info krijgen over Michigan en de omstandigheden daar.

Michigan, land voor iedereen

          Veel mensen wilden persé een stuk grond, ook mensen die in Nederland geen boer waren. Over die successen (het land verkrijgen) werd dan ook veel gesproken in de communicatie tussen Michigan en thuis.

          De verschillen bij het werk heeft ene Marcus Nienhuis in 1854 geschreven, aan zijn ex-baas in Nederland gericht:

"(..) daar ik hier aan een stoomzaagmolen werk waar ik den 15.april dezes jaars ben gekomen, benevens verdien ik hier 26 dollars in de maand, of 65 gulden Hollands, hiervan geef ik 8 dollars of 20 gld. kostgeld in de maand, dit zijn dunkt mij goede verdiensten, wel is het waar dat ik hiervoor ook moet werken, (..) maar tog is het waar dat men hier verre van honds behandeld wordt en niet zoveel werk behoeft te doen, als toen ik bij u al schippersknecht voer.
(..) Ik zeg het u voorwaar dat het hier voor een arbeider veel beter is als bij u, of dat er veel zijn bij u die op dit land schelden, zonder dat zij er wat van weten hoe het is, maar gelooft mij maar, dat is een waanzinnig vooroordeel, zonder dat zij het eerst beoordeeld hebben. Geloof mij als ik hier geen beter vooruitzicht had als bij u dat ik het dan ook niet zoude schrijven en dat ik ook wel dadelijk terug was gekomen."

          Het bleek dus een geweldig land, en velen gingen dus ook zelf land kopen om iets te gaan verbouwen, maar daar zaten wat haken en ogen aan. Marcus vertelt verder:

"Ik heb het gepasseerde voorjaar eens 20 dagen rond gereisd om te zien waar het mij het best toe leek om land te kopen en nu weder acht dagen, want zij zijn voornemens om land te hebben en dat is een groot belang om goed toe te zien wat land en waar men het koopt, want het is allemaal niet goed en daar komt nog bij dat het op veel streken te afgelegen is van het water of van de spoorweg, dat men dan de vruchten die men verbouwt niet zo goed kan verkopen. Nu heb ik op de laatste reis door het land wat naar mijn zin gevonden, maar kunnen dit op heden van de staat niet te koop krijgen om reden dat daar een spoorweg gelegd zal worden en nog niet vast bepaald is waarlangs. Zo gauw als die weg uitgemeten en vast bepaald is waarlangs dan waren wij voornemens om daar land te kopen, dat is in NOORD HOLLAND in de kolonie van van RAALTE, waar bijna geen anderen wonen als Hollanders. 80 akkers bosland heb ik daar nu gekocht voor 120 dollars uit de tweede hand (de eerste 'hand' was de staat), daaraan ligt nog 2 maal 80 hetwelk nog aan de staat behoort, dat wilden wij er gaarne bij hebben als dat los is, dan kan men dat kopen voor 100 $ de 80 akkers, dan hadden wij het voort aan elkander. Tamme Wybes Dykema een zwager van broeder Martinus en ik 80 akkers is een weinig meer dan 60 juk of 30 bunders bij u."

          Nienhuis had het goed in vergelijking met de armere emigranten. Die werkten in de naburige steden. Terwijl de anderen in de kolonie land ontgonnen.
          Als je rijk was daar kon je je buren zelfs inhuren om je land te laten ontginnen. Een voorbeeld hiervan is Hendrich Lanning, die ongeveer 16.000 guldens had. Hij had veel land, en later kregen zijn kinderen ook zelf weer veel land. Dus dan is het een voordeel als je in Amerika was, in plaats van in Nederland.

Kerk is erg belangrijk

          De familie Dunnink, die uit Staphorst kwam, was opgevallen dat het geloof erg belangrijk was in het leven van de Hollandse Amerikaan.

"(..) Wij houden des Zondags ook een bijeenkomst en dan na de Godsdienst moeten de kinderen de vragen opzeggen. Het is hier een plechtig en Godsdienstig volk.
Ja ik geloof ook dat de Heere hier veel van zijn volk en kinderen gebracht heeft.
Want de tale Kanaäns wordt hier veel gesproken. En den Bijbel staat hier op den voorgrond, doch hier zijn ook wel anderen, maar zij zijn zeer onderworpen.
Het schijnt dat de Heere, hier deze plek voor Neerlands volk bewaard heeft."

          Lees veel meer over het geloof.

Meer werk voor het land en op het land

          Dunnink verhuisde naar Beaverdam in 1851, en hij verklaarde dat het land daar voor $1,25 per acre kon worden gekocht. Dat was goedkoper dan het land dat dichter bij het centrum van de kolonie lag. Dat kon alleen uit de tweede hand gekregen worden (de eerste 'hand' was de staat), maar dat was al wel ontgonnen.
          Hij zei over het bewerken van het land (en over het weer dat tegenwerkte):

"Ik heb al veel in mijn land geploegd, en zonder ploegen wil er ook niets groeien dan vuil en onkruid.
Een jaar of twee op zijn uiterste en dan zijn de oude grassen en bladeren verteerdt. En met het derde jaar kan men de grond openbreken. Maar dan kan men nog niet kort aan de boomstompen komen maar dat gaat jaar op jaar beter.
Het land dat ik eerst gekapt heb, daar heb ik al vele kleine stompen uitgeploegd. Maar daar is veel werk mee, niet alleen met de stompen, maar ook het op rapen van de wortelen en het kappen het oplagen en verbranden is nog veel meer arbeid.
Deze twee vorige jaren hebben wij een zeer slecht verbouw gehad, het eene jaar was het al te nat.
En het andere was het te droog, zoo dat wij de grond niet goed hebben kunnen ploegen. Het brood hebben wij tot nu toe altijd gekocht, doch aardappelen, spek en boonen, boter en melk hadden wij van ons zelf.
Doch ik heb met het schinken maken (dit is waarschijnlijk 'hammen maken', red.) zooveel verdiend als het brood ons gekost heeft.
Hoeveel land als ik gekapt heb weet ik niet recht, ik denk zoowat aan de dertig akker. En ik denk zowat twaalf akker schoon."

Land op

          Op een gegeven moment raken de dorpen en steden natuurlijk vol. Dus moet er worden gezocht naar nieuw land. Dit gebeurde rond 1870 met de dorpen Vriesland en Drente. Daarom werd er een nieuw dorp gesticht, geheten Blendon, en zat 12 mijl (19,2 km) ten noorden van Zeeland. Dan moest natuurlijk wel weer het land worden ontgonnen. Twee van de drie broers Avink deden dit, maar de derde broer ging werken in een fabriek in Grand Rapids, wat natuurlijk ook een mogelijkheid is. Harm Avink was alleen niet zo rijk, dus zijn oudste dochter werkte als dienstmeisje bij de naburige boeren voor $2,75 per week. Tot 1889 was Avink in staat om zijn boerenbedrijf te vergroten. Uiteindelijk in 1901 zat het ergste erop, want toen waren de stronken wortels verwijderd. Hij was toen lid geworden van een inkoopcoöperatie, en verdiende daar $200 per jaar mee. Hij zelf verkocht zijn aardappels in Grand Rapids. Hij had ook gezien dat zoetzuur en suikerbieten in Holland konden worden verkocht, omdat daar dat soort verwerkingsfabrieken startten.
          Dit lijkt wel een goed leven, maar niets was minder waar. Omdat in 1889 al de grond in Blendon op was. Dus Avink had niet de mogelijkheid om goed te zorgen voor zijn zoons. Die kregen allemaal, met uitzondering van een, werk in een fabriek. Een was nog boer geworden. Avink had niet veel grond, omdat het te duur was. Een bewoonbare boerderij met 40 acres land, kostte $2.000 en het materiaal dat je nodig had kostte nog eens $500. Bepaald niet goedkoop dus. Toen zijn broer uit Bargem vroeg naar de vooruitzichten voor emigranten in Blendon, raadde hij aan om Zuid-Dakota in overweging te nemen. Omdat daar een overvloed aan goede grond was, weinig mensen en (wat erg belangrijk was) grond die bijna niets kostte.
          Nou brengen we het wel erg negatief, want Avink was in staat om zijn dagen te slijten met het door hem gekozen werk, en tenminste een zoon volgde zijn voorbeeld. De anderen waren in de stad, maar het is onbekend waarom ze daar waren. Wel weten we zeker dat ze ook met Nederlandse Amerikanen trouwden en hun kerk trouw konden blijven.
          Nu nog zijn er 14 families Avink in de buurt van Grand Rapids.

Schulden

          Zoals al bleek, moest je wel geld hebben om iets te kunnen doen. Nou was dat niet zo veel als je daar in het begin van de kolonisatie van een gebied was, en het was nog altijd minder dan je nodig had in Nederland, maar later moest je wel steeds meer geld betalen voor de grond. Dat is ook logisch, want er is evenveel grond voor meer mensen, dus minder per persoon.
          Maar goed, een voorbeeld van schulden, was H. Gruppen die eerst in Graafschap ging wonen, waar hij een bedrijf van 30 acres huurde. In 1905, drie jaar voor het einde van zijn huurcontract, kocht hij een stuk van 26 acres wat grensde aan die 30 gehuurde acres. Toen kocht hij ook een boerenbedrijf in Borculo, wat dichtbij Graafschap lag, die 100 acres besloeg, waarvan 70 acres ontgonnen en 30 acres bos. Ze hadden een goed huis en een nieuwe schuur. Zijn schuld beschreef hij zelf, maar het Nederlands was zo moeilijk te verstaan, dat wij het proberen samen te vatten.

"Wij hebben 120 acres en moeten 300 Dollar opbrengen. (..) Wij hebben 4.500 Dollar schuld met 6% rente. En op Graafschap 30 acres 1000 Dollar schuld."
          Zijn kinderen werden geen grote boeren zoals hijzelf, waar hij wel op had gehoopt. In 1933 bewerkten al zijn drie zoons kleine boerderijen van 20 of 40 acres en tenminste één van hen kreeg nog extra inkomsten door timmermanswerk. Dit was ook met vele andere emigranten, die gingen ook over op geschoolde arbeid, en dan kwamen ze vaak in naburige steden. Grand Rapids, wat de grootste stad van West-Michigan is, trok door zijn economische mogelijkheden veel Hollandse Amerikanen aan.
 

Terug naar Geschiedenis