|
|
 |
|
Voedsel en
zat meestal maanden op zee voordat er werd aangelegd bij een verversingsstation.
Daarom werd er veel voedsel meegenomen dat lang houdbaar was. Men had
meerdere manieren om het goed te houden. Zo werden er levende planten
en dieren meegenomen die vlak voordat ze gegeten zouden worden, werden
geplukt of geslacht. Er was maar weinig ruimte aan boord voor een tuintje
of dieren als koeien, waardoor dit geen goede oplossing was. Verder werd
er een deel gedroogd, zoals appels pruimen en kabeljauw of stokvis. Tenslotte
pekelde
men het voedsel. Natuurlijk werden er ook dingen meegenomen die van nature
niet zo snel bederven als bonen, erwten en scheepsbeschuit.
|
|
Omdat het voedsel erg eentonig was en men te weinig vitaminen binnenkreeg,
was men vatbaar voor
ziektes als scheurbuik.
Als drinken was er water, wijn, bier en jenever. De wijn was vooral bedoeld
voor de passagiers en officieren. De bemanning kreeg elke dag een mutsje
jenever om de tanden te ontsmetten. Als dorstlesser was er water en bier.
Het water, dat ook vrij snel bedierf, werd met de tanden op elkaar naar
binnen gezogen, zodat men geen wormen binnen zou krijgen.
|
|