Ziekte
aan Boord
p een schip was een chirurgijn
aanwezig om zieken te genezen. Hij mocht eigenlijk alleen wonden verbinden
en aderlaten,
maar op zee was er niemand anders die verstand had van geneeskunde waardoor
de chirurgijn ook ziekten moest genezen.
De meest voorkomende ziekte was scheurbuik,
veroorzaakt door een gebrek aan vitamines en het eten van ongevarieerd
voedsel.
Een belangrijk onderdeel van het werk van de chirurgijn was het amputeren
van lichaamsdelen. Hiervoor had hij een zaag. Als verdoving werd de patient
bewusteloos geslagen.
Ook besmettelijke ziekten kwamen regelmatig voor. Doordat de bemanning
op elkaar gepakt zat, kon een ziekte als vlektyfus
zich makkelijk verspreiden. Een belangrijke factor was de slechte hygiëne
aan boord. Ontlasting werd vaak zomaar ergens achtergelaten en de bemanning
waste zichzelf en zijn kleding ook niet of nauwelijks.
Om te proberen het schip te ontsmetten, brandde men buskruit, wat een sterk
ontsmettende werking heeft. Toch had dit niet genoeg effect om vreselijke
ziekten te voorkomen.
Eerst nam de chirurgijn zijn eigen medicijnkist mee, maar later kreeg hij
deze toegewezen door de Compagnie. Voor de vulling van de medicijnkisten
is door de VOC een apotheek opgericht.