Het beste konden de banen worden vervuld door armoedzaaiers die ongehuwd
waren en geen zorg hadden over een gezin.
Omdat in veel landen de lonen laag waren, kwamen veel buitenlanders zich
aamelden bij de VOC. Zij konden vaak veel meer doen van het geld dat ze
ontvingen dan de Nederlanders. Zo waren er veel Duitsers, Fransen en Scandinaviers
aan boord. Deze konden een gezin vaak wel onderhouden van het verdiende
geld.
Het personeel van de VOC moest een contract van 5 jaar ondertekenen.
Het werven van zeelieden gebeurde op diverse manieren. Er werd bijvoorbeeld
omgeroepen dat iedereen die zin had om mee naar Indie te varen zich
kon aanmelden bij de Heeren 'Bewindhebbers
der Edele Compagnie'. Daar kregen de nieuwe zeelieden
een beetje geld en een kist waarin ze hun persoonlijke spullen konden
opbergen. De andere manier om leden te werven was door 'zielverkopers'
de straat op te sturen. Deze gingen op zoek naar mensen die op de VOC-schepen
konden werken. Meestal waren dit mensen uit de laagste klasse van de
maatschappij zoals werkloze matrozen, zwervers, mensen die op de vlucht
waren voor de politie en weeskinderen. De zielverkoper gaf ze te eten
en een slaapplaats. Hij zorgde ervoor dat de toekomstige zeelieden een
uitrusting hadden die bestond uit kleren, tabak, jenever en nog wat
kleine dingetjes.