Ontstaan Portugese Monopolie - Voorcompagnien - Bundeling van Krachten
VOC logo

Voorcompagnien

e negen heren sloegen de handen ineen en richtten voor de organisatie en uitvoering van de plannen een 'compagnie' op; de Compagnie van Verre. Op 2 april 1595 zeilden de Mauritius, Amsterdam, Hollandia en het jacht Duyfken op weg naar het zuiden. De reis verliep niet voorspoedig en het was dan ook geen succes. Wegens gebrek aan mankracht lieten zij de Amsterdam in Azië achter. Begin 1597 bereikten de overige drie schepen de Republiek. Van de oorspronkelijk 240 opvarende waren er nog slechts 87 in leven. De opbrengst van de retourlading peper was maar net voldoende om alle kosten te dekken. Wel had de Compagnie van Verre aangetoond dat in tegenstelling tot de pogingen van andere kooplieden, die via de Noordelijke IJszee een weg naar het Verre Oosten zochten, de Nederlandse scheepvaart op Azië via de Portugese route langs de Kaap de Goede Hoop mogelijk was. In de periode 1595 - 1601 voeren voor acht verschillende compagnieën 65 schepen uit, verdeeld over vijftien vloten. Uit Amsterdam, Rotterdam, Hoorn, Enkhuizen, Middelburg, Veere en Delft vertrokken vloten van soms wel acht schepen tegelijk. Deze organisatievorm noemde men 'compagnie'. In principe waren dit gelegenheidsondernemingen, dat wil zeggen: men kocht of bouwde schepen, rustte ze uit en nam personeel aan. Na terugkeer werd het personeel afgedankt en verkocht men schepen en goederen.

Pagina uit het Octrooi

Bundeling van Krachten

Het overweldigende succes keerde zich echter spoedig tegen de enthousiaste ondernemers. De Nederlandse kooplieden beconcurreerden elkaar op leven en dood. 3 Schepen: De Amsterdam - Mauritius en HollandiaDe inkoopprijzen werden hierdoor opgedreven, terwijl in het vaderland, door de ruime aanvoer, de prijzen juist daalden. Hoewel de Nederlandse kooplieden de noodzaak tot samenwerking erkenden, waren zij toch nauwelijks bereid hun krachten te bundelen. Na moeizame onderhandelingen, op het initiatief van Johan van Oldebarnevelt, druk van de Staten-Generaal en inmenging van Prins Maurits kwam er op 20 maart 1602 een verdrag tot stand. Afgesproken werd alle plaatselijke compagnieën samen te smelten tot een Verenigde Oostindische Compagnie, de VOC, die het monopolie kreeg voor alle Nederlandse handel en scheepvaart op Azië.