|
De
ondergang
e
Compagnie beleefde gouden tijden in de 17e en 18e eeuw, had duizenden
werknemers in dienst, bezat een kleine dertig kantoren in Azie, zes kamers
in de Republiek en een vloot van meer dan honderd schepen. In het laatste
kwart van de 18e eeuw raakte het bedrijf in financiële moeilijkheden die
zo ernstig waren, dat het ondanks leningen niet meer te redden viel. De
bewindhebbers waren niet berekend op de eisen die het immense bedrijf,
de grote afstanden en lange termijnplanning aan hen stelden. Een slechte
boekhouding en de zes afdelingen in de Republiek maakten het ook niet
eenvoudig het bedrijf efficiënt en krachtig te besturen. De VOC moest
haar voordelige handelspositie en bezittingen verdedigen tegen Europese
concurrenten en Aziatische vorsten. De verandering in de lading (thee,
suiker, peper en tin, deze goederen waren winstgevender) voor Europa was
nadelig voor de Compagnie. De VOC raakten in diepe schulden en alleen
met forse overheidssteun kon zij hopen de problemen de baas te worden.
Zowel de Staten-Generaal als de Staten van Holland wilden de VOC geld
lenen gezien de economische belangen die op het spel stonden. Ondergang
van de Compagnie zou een ramp betekenen voor de steden waar de kamers
gevestigd waren. Maar de VOC zat in een vicieuze cirkel. Ondanks de grote
financiële steun was er te weinig geld om voldoende schepen en personeel
naar Azië te sturen.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Het
einde
Op Tweede Kerstdag 1794, bijna tweehonderd jaar na het avontuurlijke vertrek
van de eerste vier schepen, verliet het allerlaatste VOC-schip de rede van
Texel. De dag na vertrek bereikte het de rede van Duins. Daar namen de Engelsen
het schip in beslag. Zo is het in 1795 ook vele retourschepen vergaan. Batavia
was alleen nog onder neutrale vlag te bereiken. Maar een voor een namen de
Engelsen de Nederlandse handelsposten in bezit. Uiteindelijk kon de VOC de
gevolgen van de oorlogen met concurenten niet meer dragen. De directie van
de VOC kwam onder overheidstoezicht te staan, personeel werd ontslagen, de
schepen werden verkocht en de werven afgestoten. In 1803 hief men de kamers
Hoorn, Enkhuizen en Delft op. Het laatste handelsverdrag verliep op 31 december
1799 en de staat nam de schuld van 119 miljoen gulden over. In 1805 besloot
raadpensionaris Schimmelpenninck dan ook om de handel vrij te geven. De toekomst
zou een volstrekt andere verhouding tussen Nederland en Indië laten zien.
Het was een stil en triest einde van een roemrijke handelscompagnie.
|