VOC logo
Bloei en Ondergang

Bloei - Ondergang - Einde

De ondergang

Letter De Compagnie beleefde gouden tijden in de 17e en 18e eeuw, had duizenden werknemers in dienst, bezat een kleine dertig kantoren in Azie, zes kamers in de Republiek en een vloot van meer dan honderd schepen. In het laatste kwart van de 18e eeuw raakte het bedrijf in financiële moeilijkheden die zo ernstig waren, dat het ondanks leningen niet meer te redden viel. De bewindhebbers waren niet berekend op de eisen die het immense bedrijf, de grote afstanden en lange termijnplanning aan hen stelden. Een slechte boekhouding en de zes afdelingen in de Republiek maakten het ook niet eenvoudig het bedrijf efficiënt en krachtig te besturen. De VOC moest haar voordelige handelspositie en bezittingen verdedigen tegen Europese concurrenten en Aziatische vorsten. De verandering in de lading (thee, suiker, peper en tin, deze goederen waren winstgevender) voor Europa was nadelig voor de Compagnie. De VOC raakten in diepe schulden en alleen met forse overheidssteun kon zij hopen de problemen de baas te worden. Zowel de Staten-Generaal als de Staten van Holland wilden de VOC geld lenen gezien de economische belangen die op het spel stonden. Ondergang van de Compagnie zou een ramp betekenen voor de steden waar de kamers gevestigd waren. Maar de VOC zat in een vicieuze cirkel. Ondanks de grote financiële steun was er te weinig geld om voldoende schepen en personeel naar Azië te sturen.

Ingestort Pakhuis, 1822
Vloot die vlucht voor Engelse

Het einde

Op Tweede Kerstdag 1794, bijna tweehonderd jaar na het avontuurlijke vertrek van de eerste vier schepen, verliet het allerlaatste VOC-schip de rede van Texel. De dag na vertrek bereikte het de rede van Duins. Daar namen de Engelsen het schip in beslag. Zo is het in 1795 ook vele retourschepen vergaan. Batavia was alleen nog onder neutrale vlag te bereiken. Maar een voor een namen de Engelsen de Nederlandse handelsposten in bezit. Uiteindelijk kon de VOC de gevolgen van de oorlogen met concurenten niet meer dragen. De directie van de VOC kwam onder overheidstoezicht te staan, personeel werd ontslagen, de schepen werden verkocht en de werven afgestoten. In 1803 hief men de kamers Hoorn, Enkhuizen en Delft op. Het laatste handelsverdrag verliep op 31 december 1799 en de staat nam de schuld van 119 miljoen gulden over. In 1805 besloot raadpensionaris Schimmelpenninck dan ook om de handel vrij te geven. De toekomst zou een volstrekt andere verhouding tussen Nederland en Indië laten zien. Het was een stil en triest einde van een roemrijke handelscompagnie.

VOC schepen bij Malakka