|
Zoek de site e-Mail English version | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Theorieën en theoreticiDe huidige theorie, die de door de meeste wetenschappers wordt geaccepteerd, de neodarwinistische evolutie theorie, is gebaseerd op de ideeën van Charles Darwin. Hij was echter niet de enige die over evolutie nadacht. Lees hierover in deze paragraaf. Waarschijnlijk was Xenofanes (circa 540 v.Chr.) de eerste die naar het bestaan van fossielen verwees. Hij besefte dat de aanwezigheid van schelpen en visgraten in gesteenten bewees dat deze afzettingen eens onder water hadden gelegen. Hij had fossielen in verschillende lagen waargenomen en kwam tot de conclusie, dat bij elke grens tussen dergelijke lagen alle planten en dieren (dus ook de mens) uitstierven, waarna de levende wereld opnieuw werd geschapen. Dit is waarschijnlijk het vroegste voorbeeld van de catastrofe theorie in de geologie. In de middeleeuwen werden in Europa van tijd tot tijd fossielen gevonden. Vaak waren het overblijfselen van mammoeten uit de ijstijd. Ze werden toen nog beschouwd als beenderen van reuzen. De fossielen werden bewaard als curiositeiten en tentoongesteld in kerken en andere openbare gebouwen. Waarschijnlijk was de beroemdste ontdekking de diluvii testis (mens die getuige was van de zondvloed). In 1726 vond Dr. Johann Jakob Scheuchzer bij het dorp Oeningen in Zwitserland een skelet dat, volgens hem, van een van de mensen was die door zijn zonden de zondvloed over zich had afgeroepen. In feite was het skelet afkomstig van een salamander van miljoenen jaren geleden. De beroemde Franse natuuronderzoeker Georges Louis Leclerc Buffon, was één van de eersten die de bijbelse schatting van de ouderdom van de aarde in twijfel trok. Aartsbisschop Ussher van Armagh in Ierland had met behulp van het aantal geslachten in het Oude testament uitgerekend dat de aarde in het jaar 4004 v.Chr door God was geschapen. Buffon gaf de voorkeur aan een ouderdom van tenminste 75000 jaar om de langzame opeenvolging van alle grote veranderingen in de natuur te kunnen verklaren. Tot zijn leerlingen behoorden Jean-Baptiste Lamarck en de befaamde Georges Cuvier. Baron Georges Cuvier (1769-1832) was één van de grootste natuuronderzoekers uit de geschiedenis. Hij toonde aan, dat de fossiele skeletten van uitgestorven dieren weer in elkaar konden worden gezet, hun anatomische kenmerken konden worden bepaald en vergeleken met die van levende soorten. Op die manier kon de levenswijze van deze dieren uit hun overblijfselen worden gereconstrueerd. Cuvier wist dat fossielen de resten waren van prehistorisch leven dat duizenden jaren had bestaan. Het verloop ervan leverde een tijdschaal voor de geschiedenis van de wereld op. Hij kon zichzelf er echter niet toe brengen ook de mens in dit wereldbeeld op te nemen. Hij verklaarde, dat de fossiele mens niet bestond. Dit standpunt werd niet serieus genomen tot ongeveer dertig jaar na zijn dood, toen Charles Darwin zijn theorie over de oorsprong van soorten publiceerde. De oude denkers in Griekenland en Rome hadden rekening gehouden met de mogelijkheid dat dieren in de loop van de tijd zouden kunnen veranderen. Hun ideeën gingen echter in de vroege middeleeuwen verloren en werden vervangen door het bijbelse verhaal waarin elk soort apart werd geschapen. Door de groeiende kennis van vergelijkende anatomie en het accepteren van fossielen als bewijs voor vroeger leven, werd de zogenoemde onveranderlijke aard van diersoorten echter minder waarschijnlijk. Jean-Baptiste Lamarck wees er in 1802 op dat soorten niet volledig van elkaar kunnen worden onderscheiden. Ongeveer zeven jaar later merkte hij op, dat alles in de loop van tijd een geleidelijke verandering ondergaat. In zijn ogen werd deze verandering veroorzaakt door de omgeving waaraan het individu zich tijdens zijn leven aanpaste. De nieuw verkregen eigenschappen zouden dan doorgegeven worden aan de volgende generaties. Het Lamarckisme verklaart evolutie dus door overerving van verkregen kenmerken. De theorieën van Lamarck werden om twee redenen niet algemeen geaccepteerd. Ten eerste twijfelde men aan zijn verklaring voor de veronderstelde veranderingen. De omgeving beïnvloedt niet direct de overerfbare kenmerken van een plant of dier. Het werkelijke mechanisme dat Lamarck ontging, zou later door Darwin en Wallace worden vastgesteld. Ten tweede werd Cuviers denkbeeld, dat de ene soort zich tot de ander ontwikkelde, niet aanvaard. Hij verwierp het toepassen van een evolutietheorie op de mensheid totaal.
Charles Darwin kwam uit een geslacht van artsen. Zijn vader was arts in Shewsbury (Engeland) en zijn grootvader, Erasmus Darwin, was arts en natuuronderzoeker. Deze nam een standpunt in, dat leek op dat van Lamarck. De jonge Charles werd uitgekozen om als natuuronderzoeker deel te nemen aan een reis van de "Beagle", een verkenningsschip van de Engelse Koninklijke Marine. De tocht naar Zuid-Amerika en de Stille Oceaan duurde vijf jaar. Darwin verzamelde een enorme hoeveelheid planten, dieren en fossielen. In deze periode werden Darwins ideeën over de oorsprong van soorten gevormd door zijn waarnemingen van de planten en dieren op de Galápagoseilanden, ongeveer duizend kilometer ten westen van Ecuador. De dieren van de Galápagoseilanden leken op die van Zuid-Amerika, maar waren niet precies hetzelfde. Het was duidelijk dat de dieren op een bepaald moment in het verleden vanuit Zuid-Amerika op deze eilanden waren beland. In de loop van de tijd waren zij veranderd en konden verschillende, maar nauw verwante vormen ontstaan. Deze waarnemingen overtuigden Darwin dat er een of andere vorm van evolutie had plaatsgevonden. Hij ontdekte ook fossielen van grote, uitgestorven Zuid-Amerikaanse zoogdieren, zoals de reuzenluiaard. Deze ontdekkingen waren moeilijk te verklaren op basis van de bijbelse zondvloed of de catastrofe-theorie, die door Cuvier werd aangehangen. Dit en de overtuiging, dat landvorming tot stand kwam via het mechanisme van geleidelijke verandering, waren voor Darwin aanleiding zo een geleidelijke verandering ook te zien als het verband tussen levende en fossiele organismen. Aan zijn theorie ontbrak echter nog een verklaring voor de drijvende kracht achter deze verandering. Hij kreeg het idee na het lezen van een boek, dat in 1798 door de econoom een geestelijke Thomas Malthus was geschreven. Malthus geloofde dat onbeperkte menselijke vruchtbaarheid tot overbevolking en hongerdood zou leiden, omdat de mens zijn mogelijkheden om voedsel te produceren zou overschrijden: hij sprak van een 'struggle for life' (strijd om het bestaan). Darwin ontwikkelde dit idee verder door te suggereren, dat in die strijd de individuen met gunstige eigenschappen zouden overleven, terwijl de anderen zouden uitsterven. Het principe van de "survival of the fittest" (overleving van de best toegeruste) als het mechanisme van natuurlijke selectie, was geboren. Het principe was eenvoudig, het hield rekening met het cumulatieve effect van ontelbare kleine veranderingen in de loop der tijd, maar moest nog worden bewezen. Darwin was echter niet de enige natuuronderzoeker die in deze richting dacht. De zoöloog Alfred Russel Wallace geloofde ook in evolutie. Terwijl Darwin in juni 1858 aan een boek over zijn theorie werkte, ontving hij een manuscript van Wallace, die, misschien meer intuïtief, tot bijna dezelfde conclusies was gekomen. Darwin pleegde snel overleg met zijn vrienden en kreeg het advies de theorie eerst onder hun beider namen te publiceren, het boek zou dan later volgen. In 1858 werd op een bijeenkomst van de Linnean Society in Londen de gezamenlijke verhandeling gepresenteerd, zodat Wallace de eer kreeg die hem toekwam. © 1999 Team 26070 Thinkquest. All rights reserved. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||