Het verleden

De Java-mens

De Java-mens is net als Lucy een voorbeeld van een belangrijke ontdekking. Meer informatie kunt u op deze pagina vinden.


Inhoud

De evolutie vanaf het begin
De soorten van de menselijke evolutie
Onze voorouders vergeleken
Lucy
De Java mens
De wetenschap wordt opgehouden door bedrog

In 1887 ging Eugène Dubois als officier van gezondheid naar het voormalig Nederlands-Indië. Omdat hij de belangstelling voor geologie en paleontologie uit zijn jeugd had behouden, begon hij onmiddellijk met het zoeken naar fossielen. Eerst werkte hij op Sumatra en daarna op Java. Hier hield hij toezicht op het verzamelen van meer dan twaalfduizend fossielen uit de omgeving van de berg Lawu. De fossielen varieerden van vissen tot olifanten en nijlpaarden, maar er werden geen mensapen of vroegere mensen gevonden.

In 1890 verplaatste de Nederlandse anatoom zijn aandacht naar de oevers van de Solo bij het dorp Trinil. In een bocht van deze rivier waren door erosie lagen zandsteen en vulkanische as blootgelegd. Het leek een geschikte plaats om fossielen aan te treffen. In september 1891 vonden opgravers een mensachtige fossiele tand. De maand erna wisten zij een fragment van een schedeldak te bergen, het bovenste deel van een hersenpan. Het bot was nogal dik en bezat een zodanige kromming, dat de hersenen slechts half zo groot konden zijn geweest als die van de moderne mens. Aan de voorkant van het schedeldak, boven de ontbrekende oogkassen, zaten duidelijke wenkbrauwwallen. Aanvankelijk dacht Dubois dat de fossielen toebehoorden aan een groot, uitgestorven type chimpansee. Het team bleef in de rivieroever doorgraven. Het jaar daarop werd een dijbeen ontdekt. Het kwam uit dezelfde zandsteenlagen, ongeveer vijftien meter stroomopwaarts van de plaats waar de tand en het schedeldak waren gevonden. In tegenstelling tot de mensaapachtige schedel leek het dijbeen opmerkelijk veel op dat van de moderne mens. Het was duidelijk dat het afkomstig was van een wezen dat rechtop liep. De eerste reactie van Dubois was deze vondsten aan één individu toe te schrijven, een rechtop lopend exemplaar van een uitgestorven soort chimpansee. Hij noemde hem voorlopig Anthropopithecus erectus (rechtop lopende mensachtige mensaap). Ondanks verdere opgravingen vond het team niet meer dan één andere tand. In 1894, toen Dubois zijn beschrijvingen en interpretaties van de Trinil-vondsten publiceerde, was hij echter van mening veranderd. De rechtop lopende mensachtige mensaap werd gewijzigd in Pithecanthropus erectus (rechtop lopende mensaapachtige mens). Dubois had de nadruk op het andere aspect gelegd. Recent onderzoek heeft aangetoond, dat het dijbeen hoogstwaarschijnlijk betrekkelijk jong is en dat de fossielen niet afkomstig zijn van één individu. De schedel is wel afkomstig van een mensachtige, die de mensaapstatus duidelijk achter zich had gelaten.


Begin

© 1999 Team 26070 Thinkquest. All rights reserved.