Hockey in de Lage
Landen
Hier
wordt wat verteld over de hockey in de Lage Landen (dat
zijn België en
Nederland) waar ook weer
geschiedenis bij zit. Hieronder even een lijstje wat er
allemaal te vinden is:
- Hockey
in Nederland
- Dameshockey
- Jeugdhockey
- Groei van de
hockeybond
- Coaches
herenploegen
- Coaches
damesploegen
- Bondsorgaan
- Bondsbureau
- De koninklijke Nederlandse Hockey Bond
- Hockey in België
Hockey in Nederland
De wijze waarop
Nederland in contact kwam met hockey is kenmerkend voor
het ontstaan van deze sport. Zowel hockey als bandy werden als zustersporten aan
het eind van de vorige eeuw geïntroduceerd door Pim
Mullier. Vooral dankzij de activiteiten van deze
stamvader van het spel kon 8 oktober 1898 in Amsterdam de
Nederlandse Hockey en Bandy Bond (NHBB) opgericht worden.
De vijf aangesloten clubs kwamen uit Haarlem, Amsterdam,
Velsen, Den Haag en Zwolle en beoefenden hockey en bandy
naast elkaar.
Al snel werd bandy naar het tweede plan geschoven. Door
de kwakkelwinters in Nederland stond de beoefening van
het spel ieder jaar op de tocht. Zodoende kreeg
veldhockkey meer en meer aandacht.
Het jaar 1928 is voor de
ontwikkeling van de hockeysport in Nederland van groot
belang geweest. De Olympische Spelen, die dat jaar in
Amsterdam gehouden werden, noodden de NHBB de Nederlandse
spelregels aan te passen aan de internationale norm. Tot
die tijd werd in het eigenwijze kikkerlandje gespeeld met
een grote, zachte oranje bal (de 'sinaasappel' genoemd)
en was de stick aan twee kanten vlak. Dit in
tegenstelling tot hoe men speelde in het toonaangevende
Engeland. Het meedoen aan de OS van 1928 kon alleen
plaatsvinden met eerbiediging van de internationale
spelregels en als lid van de FIH.
In 1927 sloot de NHBB zich bij deze organisatie aan en
wierp haar afwijkende reglement overboord.
Dat dit het veldhockey in Nederland extra gestimuleerd
heeft, komt tot uitdrukking in de prestatie van Oranje op
de OS '28: na Brits-Indië bezette Nederland de tweede
plaats! Dit heeft in de jaren daaropvolgend geleid tot
een grote belangstelling voor de hockeysport. Vele nieuwe
verenigingen werden in de jaren '30 opgericht, waardoor
in 1938 omgedoopte Koninklijke Nederlandse Hockey Bond
(KNHB) al bijna 100 aangesloten clubs uit het gehele land
telde. Meer dan 5000 mensen hielden zich actief bezig met
hockey.
Na de tweede wereldoorlog werd de draad weer opgepakt en
begonnen aan de opbouw van een Nederlands
kampioenselftal. Op de Olympische Spelen van 1956 in
Melbourne moest en zou dit team goud pakken, ware het
niet dat de Russische inval in Hongarije een boycot van
de Nederlandse olympische equipe tot gevolg had.
Gedurende de daaropvolgende jaren telde Oranje op
internationaal niveau niet erg mee. Ondanks deze
inzinking bleef hockey in Nederland in de belangstelling
staan. De KNHB groeide van 30.000 leden in 1960 naar
72.000 leden in 1975.
In de jaren '70 beleefde het Nederlandse (heren-)hockey
opnieuwe enkele hoogtepunten. Het in Amstelveen gehouden
toernooi om de wereldbeker in 1973 werd winnend
afgesloten, nadat India in een zeer spannende finale het
strafballen was verslagen. Vijf jaar daarna behaalde
Oranje in hetzelfde toernooi, dat gehouden werd in
Argentinië, de tweede plaats achter het Pakistaanse
nationale team.
Aan het begin van de jaren '80 werd het hoge niveau van
het Nederlandse hockey nogmaals bevestigd: in 1981 en
1982 veroverde Oranje de Champions Trophy in Pakistan en
Amstelveen. Bovendien was de aanzet gegeven tot een
belangrijke ontwikkeling in de hockeysport: de
installatie van het eerste kunstgrasveld bij Kampong. Dit leidde in 1976
tot een volledige hoofdklassecompetitie op kunstgras. Op
dit moment liggen er meer dan 100 van dergelijke velden
in Nederland. Dit is meer dan in alle overige landen
tezamen!!!
Dealniettemin heeft Oranje een stapje terug moeten doen.
Na de geboycotte OS van Moskou in 1980 was een 6de plaats
op de Olympiade in Los Angeles een resultaat dat, gezien
de hooggespannen verwachtingen, tegenviel.

Dameshockey
Het dameshockey
kwam, rond de eeuwwisseling, later op gang dan dat van de
heren. In de nadagen van het Victoriaanse tijdperk was
het immers onmogelijk dat een dergelijke Engelse sport
zowel door mannen als door vrouwen binnen één
vereniging werd beoefend! Zodoende ontstonden er
dameshockeyclubs.
Al op 16 oktober 1911 werd besloten tot oprichting van de
eigen Nederlandse Dames Hockey Bond (NDHB). Bandy werd buiten beschouwing
gelaten. Een kleine competitie van 8 clubs ging van
start, waarbij tot 1927 gespeeld werd volgens de
Nederlandse regels. Net als de mannen gingen de vrouwen
toen over op het internationale reglement.
De wedstrijden, die in eerste instantie doordeweeks en
later op de zondagen gespeeld werden, droegen een
vrijblijvend karakter. Het waren meer gelegenheden om
elkaar te treffen en gezellig een balletje te slaan, dan
confrontaties op het scherp van de snede.
Op het internationale vlak waren er twee overkoepelende
organisaties ontstaan: de FIH
(voor heren- en dameshockey), waar de NDHB zich in 1930
bij aansloot, en daarnaast hadden de britse 'ladies' de
euvele moed gehad zich te verenigen in een aparte
organisatie, de International Federation of Women's
Hockey Associations (IFWHA). Vanaf 1930 organiseerde de
laatste om de vier jaar een groot toernooi voor landen
van het Britisch Empire, het latere Gemenebest. Nderland
heeft hieraan vanaf 1963 meegedaan. Het heeft tot 1981
geduurd eer de mannen en vrouwen elkaar definitief hadden
gevonden. De IFWHA besloot toen ten nlange leste op te
gaan in de FIH.
Nederland heeft bij de ontwikkeling van het dameshockey
zowel nationaal als internationaal een vooraanstaande rol
vervuld. In de jaren '30 bestond er al een
jeugdcompetitie voor meisjes en had de NDHB (gesteund
door haar Duitse collega) de aanzet gegeven tot het
officieuze wereldkampioenschap. In 1932 werd bij de
eerste editie van dit toernooi Oranje tweede achter
Engeland (Hoe kan het ook anders).
Tijdens de Duitse bezetting ontstond een nauwe
smaenwerking tussen NDHB en KNHB, die pas in 1954
resulteerde in een officiële fusie tussen de twee. Het
Nederlandse hockey had één gezicht gekregen. Vanaf dat
moment is het aantal vrouwelijk bondsleden niet ver
achtergebleven bij dat van de mannen.
Eén van de hoogtepunten die de Oranjedames nadien
bereikten was het winnen van het IFWHA-kampioenschap in
1971. Het toernooi, dat gehouden werd in Nieuw-Zeeland,
betekende het einde van de britse overheersing op
hockeygebied. In de jaren 1972 en 1974 sleepten de dames
vervolgens de overwinningen van de internationale
FIH-toernooien in de wacht. Na een korte inzinking pakte
Oranja in 1978 en 1979 de draad weer op en schreef het
wederom de twee offcieuze wereldkampioenschappen op haar
naam. Doordat de FIH en de, bijna ter ziele zijnde, IFWHA
overeenstemming hadden bereikt over de spelregles, stond
dameshockey in 1980 voor het eers top het olympische
programma. Deze kroon op het werk moesten de Nederlandse
dames om politieke redenen laten schieten. In Moskou gaf
Oranje geen acte-de-présence. Maar de zegereeks hield
niet op! Op het eerste officiële wereldkampioenschap,
georganiseerd door de FIH in 1983 in Kuala Lumpur,
behaalde Oranje de eerste plaats. Ditzelfde staaltje
leverde zij op het EK in 1984 te Lille, waarna in
hetzelfde jaar Moskou gerevanacheerd werd en in Los
Angeles de gouden medaille werd verover.
In 1986 bevestigde de Nederlandse dames nogmaals haar
sterkte door op eigen bodem het wereldkampioenschap te
behalen.

Jeugdhockey
In 1932 werd er voor het eerst
meer aandacht aan de jeugd besteed. Het was in 1951 dat
op de Veluwe het eerste jeugdhockeykamp werd
georganiseerd en sindsdien was dit jarenlang een
terugkerend evenement. Er ontstonden zowel landelijke als
districts-jeugdhockeycommissies. Nederlandse
jeugdelftallen kregen steeds meer belangstelling op
internationaal gebied werden vele successen geboekt.
Het C-elftal, later onder de naam Jong Oranje uitkomend,
is het voorportaal van het Nederlands herenelftal. Bij
dee dames was dit anders geregeld. Hier na, het B-elftal
als funktie de plaats in van Jong Oranje bij de heren.
In 1968 werd de jeugd in vier categorieën verdeeld. Naar
leeftijd A (16-18 jaar), B (14-16 jaar), C (12-14 jaar),
D (10-12 jaar), en sinds 1975 ook de E (8-10 jaar).
Voor de E-categorie, in de wandelgangen beter bekend als
Mini's, werd het Minihockey ontwikkeld en gestimuleerd.
Er wordt gespeeld met kleine teams (b.v. 6 tegen 6 of 8
tegen 8) op een kwart veld. Het spelend leren hockeyen
staat centraal. De competitie en de prestatie (winnen of
verliezen) zijn bij Minihockey van ondergeschikt belang
en zeker niet het doel!
Ook 7-jarigen kunnen zich bij een hockeyvereniging
inschrijven. Zij vormen de Benjamingroep.
Enkele getallen die een indruk
geven van de groei:
Groei
bij de Jeugd
| Jaar: |
Jongens: |
Meisjes: |
| 1953
- 1954 |
±
5.000 |
±
4.200 |
| 1961 |
±
8.400 |
±
8.300 |
| 1970 |
±
13.200 |
±
11.200 |
| 1978 |
±
27.500 |
±
24.000 |
| 1981 |
±
30.500 |
±
30.400 |
| 1984 |
±
33.099 |
±
33.518 |
| 1987 |
±
34.095 |
±
35.751 |
| 1991 |
±
32.000 |
±
35.144 |
| 1994 |
±
30.700 |
±
33.750 |
| 1995 |
±
31.800 |
±
32.875 |

Groei
van de hockeybond
Het aantal geregistreerde leden
in 1946 bedroeg in totaal 15.300, waarvan 7.700
vrouwelijke leden.
Een nagenoeg gelijke verhouding die nooit eerder bereikt
werd en later ook niet meer terug te vinden is. Duidelijk
spreekt hieruit de invloed van de oorlog en de jaren
onmiddelijk daaropvolgend toen de jonge mannen, her en
der verspreid, voor een groot deel ingeschakeld waren bij
de wederopbouw en militaire dienst. Volgen we de
gemiddelde groei per jaar, dan blijkt de invloed
duidelijk uit de eerste vijf jaren na de oorlog:
Groei
bij de hockeybond na de Tweede Wereldoorlog
| Jaar |
Aantal
leden |
Extra
informatie |
| 1935 |
5.000 |
|
| 1946 |
15.000 |
|
| 1950 |
15.800 |
Een
groei van slechts 100 leden per jaar.
zeer duidelijk treden de gevolgen van de
geboortegolf aan het licht.
Waren er in 1946 nog 5500 damessenioren,
in 1950 was dit aantal teruggelopen tot
3900. Het zou tot 1961 duren voor de
"schade"
was ingehaald toen de statistieken voor het
eerst het record van 1946 brak met 5700
damessenioren. |
| 1960 |
29.750 |
|
| 1970 |
48.100 |
|
| 1970 |
71.800 |
|
| 1980 |
100.000 |
ledengrensgepasseerd |
| 1986 |
127.000 |
|
| 1988 |
132.000 |
|
| 1991 |
129.000 |
|
| 1994 |
129.000 |
|
| 1995 |
128.440 |
|

Coaches
herenploegen
Coaches herenploegen sinds 1928:
L.J. Quarles van Ufford, Rein de Waal, Jan Anjema, Piet
Bromberg, Jules Ancion, Roepie Kruize, Ab van Grimbergen,
Cees Tania, Wim van Heumen, Frans Spits, Hans Jorritsma,
Rob Bianchi, Hans Jorritsma, Roelant Oltmans.
Coaches
damesploegen
Als coach van het Nederlands
Dameselftal boekte coach Jo Jurissen talrijke
internationale successen. Als trainer blijft de naam van
Charly de Bock onverbrekelijk aan het internationale
dameshockey verbonden. Hij overleed in 1975. Hij werd
opgevolgd door Anton Brouwer. Als opvolgster van Jo
Jurissen werd Riet Küper benoemd (1972).
In 1977 kwam voor het eerst de leiding in handen van
één persoon in functie trainer/coach: Huib Timmermans.
In 1980 werd hij opgevolgd door Gijs van Heumen, die in
1989 werd opgevolgd door Roelant Oltmans. In 1993 werd
Bert Wentink bondscoach. In 1994 volgde oud-international
Tom van 't Hek hem op.

Bondsorgaan
Hockey Sport zag als officieel
bondsorgaan in 1931 het licht. Jan Hoven was de eerste
hoofdredacteur en zou dit niet minder dan 27 jaar
blijven. Hij verwierf grote bekendheid. Na hem: 1958-1961
Wim Kortland, 1961-1964 Willem Brand, 1964-1967 Hab
Ijjubga, 1967-1975 Jan Mulder, 1975-1986 Aad Gaanderse.
Met ingang van het seizoen 1986/1987 is het bondsorgaan
gescheiden en voortgezet onder de naam Hockey Magazine
(maandelijks) onder hoofdredacteurschap van Jan de Deugd
en Hockey Magazine Actueel (wekelijks in de
competitieperiode). In het seizoen 1993/1994 werden beide
bladen weer samengevoegd onder de naam Hockey Magazine.
12.000 abonnees krijgen Hockey Magazine wekelijks
toegestuurd. Alle hockeyhuishoudens (96.000) krijgen vier
keer per jaar Hockey Magazine Special toegestuurd.

Bondsbureau
Het bondsbureau is ooit begonnen
op een etage boven een stomerij in Hilversum, maar is
inmiddels uitgegroeid tot een profesiionele organisatie
met zo'n 25 medewerkers in vaste dienst. Het bureau is
een vraagbak voor bestuursleden, commissieleden en
verenigingen. Het bureau is gevestigd in Bunnik.
|