Werking

Tot de 20ste eeuw konden mensen niet verklaren waarom een vlieger kan vliegen. Als je denkt dat dit iets met aerodynamica heeft te maken, dan heb je het juist! Alles wat vliegt is aan deze wetten onderhevig. We gaan hier niet alle wetten der aerodynamica omdat deze site over vliegers gaat, en niet over aerodynamica. We zullen hieronder proberen te verklaren waarom een vlieger in de lucht blijft.

Hier zijn de manieren waarop een vlieger kan vliegen: in een grote of kleine hoek van inval, ofwel een grote of kleine hoek tussen het oppervlak van de vlieger en de wind.

Kleine hoek van inval
Grote hoek van inval
De kleine hoek van inval wordt weinig gebruikt bij vliegeren. De vleugels van Flexifoil zijn 1 van de weinige voorbeelden van deze methode. Behalve wind heeft een vlieger lijnen nodig. Deze houden de vlieger onder spanning, waardoor hij "lift" krijgt. Een winddicht doek vergroot de "lift" door de wind te dwingen eroverheen te gaan, maar bij vliegers voor hogere windsnelheden wordt een meer doorlaatbaat doek gebruikt om de stabiliteit te vergroten.

De kleine hoek van inval wordt voornamelijk gebruikt bij vliegtuigen. De tekening hierboven laat zien hoe dit werkt. Turbulentie heeft een negatieve invloed op de windsnelheid over de vleugel. Als hier turbulentie zou zijn, zou de "lift" afnemen en de "drag" toenemen. In andere woorden; de vlieger valt achterwaards naar beneden. (Dit verklaart ook waarom vliegtuigen soms zo te keer kunnen gaan).
De beste hoek is 5 graden op het horizontaal vlak. Iedere vergroting van deze hoek zal de windsnelheid vermeerderen en daarmee de "lift", maar slechts tot een bepaald punt: 15 graden. Op 15 graden kan de wind niet meer probleemloos langs de vlieger stromen, en er ontstaat turbulentie. De "lift" neemt af de vlieger zal naar achter vallen.
Bij vliegeren maak je over het algemeen gebruik van de hoge hoek van inval. Ze vliegen onder een hoek van zo'n 15 graden. De lijnen zorgen ervoor dat de vlieger niet naar achteren valt. Aan de bovenzijde van de vlieger is turbulentie, en geen "lift". Maar aan de onderzijde drukt de wind tegen het doek, en veroorzaakt daarom de "lift". De toom verdeelt de druk van de wind over het doek van de vlieger, en handhaaft zo de meest efficiënte hoek van inval. En ook hier geldt: Hoe horizontaler dit is, hoe groter de "lift".

Als een vlieger plat zou zijn, dan zou hij zeer instabiel worden. Maar het doek tussen de stokken wordt in een ronding geblazen. Deze bollingen kalmeren de wind over de bovenkant van het doek waardoor de "lift" toeneemt en de turbulentie afneemt. Je kunt extra stabiliteit verkrijgen door een staart toe te voegen. Deze moet licht en flexibel zijn. Als deze onder de vlieger hangt wordt de luchtstroom erlangs geleid waaardoor de "drag" toeneemt en de vlieger in de juiste positie blijft. Het corrigeert ook de bewegingen van de vlieger door zijn eigen slangachtige bewegingen die die van de vlieger volgen.

[Home |  Search |  (email link deleted) |  Guestbook |  MessageBoard]