De bevolkinggroepen
| In deze paragraaf leggen we aan de hand van een piramide uit hoe de bevolking in het Romeinse Rijk in 5 verschillende groepen verdeeld was. |
|
Laag 1: Senatoren en grootgrondbezitters Helemaal bovenaan, in de eerste laag (de top van de samenleving), stonden de senatoren. Zij kwamen voort uit de oude adel, en daarom waren ze erg rijk en bezaten zij grote landgoederen in de omgeving van Rome. De senatoren woonden in de stad en deelden de lakens uit in de politiek. Laag 2: Rijke handelaars, bankiers en hoge militairen In de tweede laag zaten de rijke kooplieden, bankiers en hoge militairen. Ook de mensen uit deze laag stonden nog erg hoog in de samenleving. Laag 3: Kleine zelfstandigen De kleine zelfstandigen, zoals de boeren en winkelaars, zaten in deze laag. Deze groep was dus eigenlijk de groep van de 'gewone' burgers; schoolmeesters, bakkers, timmerlieden, slagers, kunstenaars en artsen. De kleine zelfstandigen hadden het niet altijd even makkelijk; vaak was het moeilijk om het hoofd boven water te houden. Als dit niet lukte, belandden ze in de laagste groep van de samenleving. Laag 4: Arme burgers In de vierde laag zaten de arme burgers. Zij hadden geen vaste baan, en ze hadden vaak ook bijna geen bezit. Ze woonden in insulae, de flats in de arme wijken van de stad. Deze mensen erden ook wel proletariërs genoemd. Als de proletariërs geen werk hadden (vaak was het enige werk seizoenarbeid), waren ze volledig afhankelijk van hun patronus. Laag 5: De on-vrijen Helemaal onderaan in de maatschappij bevonden zich de on-vrijen, de slaven. Zij hadden geen rechten, en waren eigendom van rijke personen. Ze konden dus gewoon verkocht worden. |