Doordat er na de uitbreiding
van de steden en de
schaalvergroting van de handel
meer behoefte kwam aan precieze
tijdmeting moesten er dus
ook meer mensen komen die
(mechanische) klokken
konden maken. De eerste
mechanische klokken
werden uit ijzer gemaakt,
door bijvoorbeeld
slotenmakers. Maar omdat er ook
behoeft kwam aan horloges
ontstond er een aparte ambacht.
Zo ontstond de ambacht van
het klokken maken.
De eerste centra van
klokkenmakers ontstonden in
Duitsland en Italie,
maar al vlug daarna volgde
Zwitserland, dat is nu een land
waar men nog steeds
hele goede horloges maakt.
In 1657 werd de eerste
slingerklok gemaakt door
de Nederlander; Christiaan Huygens.
In die tijd was dat de meest
nauwkeurige klok, en ook de
eerste klok die seconden aangaf.
De klok maakte een ritmische
beweging, een slinger zwaait
gelijkmatig heen en weer,
zo wordt een radarwerk
aangedreven en de wijzers
beginnen te draaien.
Het eerste zakhorloge werd
in 1504 gemaakt in Duitsland.
Zo'n horloge was compact genoeg
om in een zakje te passen,
van bijvoorbeeld een blouse.
Polshorloges ontstonden pas in
1790. Een lange tijd waren
zakhorloges erg duur. Een Zwitserse
firma ontwierp in 1868 een horloge
dat voor iedereen betaalbaar was.
Dit is de snek.
Het gaande werk bestaat uit
een aantal ingrijpende raderen.
In vergelijking tot andere machines
is de overbrenging van deze raderen
in uurwerken erg groot.De verhouding
kun je berekenen doormiddel van de
werkzame middellijnen en de aantallen
tanden van beide raderen.
(Deze moeten namelijk steeds
hetzelfde zijn.)
De naam van de uitvinder en het
jaar waarin deze is uitgevonden
zijn onbekend. Het tandrad dat
het echappement aandrijft,
het schakelrad, loopt net als alle
andere raderen, om een horizontale as,
maar het heeft speciaal gevormde
tanden die maar naar een kant werken.
Vlak naast het schakelrad staat
een verticale stang met twee
uitstekende plaatjes, die de
lepels worden genoemd. Wanneer
de bovenste tand de lepel wegduwt,
gaat de lepelas draaien totdat
de tand langs de lepel schieten
kan. Dan is de onderste lepel
zo ver meegedraaid, dat deze de
aankomende onderste tand tegenhoudt.
Nu wordt de lepelas de andere
kant op geduwd en gaat
terugdraaien.
Na het doodschieten van
de onderste tand begint alles
weer opnieuw, maar nu met de
volgende tand. Zo wordt de draaiende
beweging van het gaande werk
omgezet in een heen en weer gaande.
Wegens het 'ontsnappen' van die
tanden aan de lepels noemt men
dit deel van het uurwerk het
echappement, het Franse woord
voor ontsnapping. Galileo Galilei
( 1564-1642) heeft ontdekt
dat de slinger een gelijkmatige
gang heeft,
die onafhankelijk is van het
slingergewicht en,
bij kleine uitslag ook onafhankelijk
van die uitslag,
maar alleen beinvloed wordt door
de lengte. Bij verschillende
uitslag door verchillen in
aandrijfkracht blijft de
slingertijd gelijk. Christiaan
Huygens is op het idee gekomen
om de slinger te koppelen
aan een tijdbewaarder.
Het nadeel van de spillegang
in die tijd was, dat
dat de constructie niet toeliet
om de slinger een kleine
uitslag te geven en
dus ook niet om een lange
slinger toe te passen.
Veel later is men daar
wel in geslaagd.
Aan het eind van de
zeventiende eeuw heeft men
in Engeland de ankergang
uitgevonden. Deze is zo
genoemd naar het ankervormige
stukje staal dat in de plaats
van de lepelspil gekomen is.
Huygens is ook de uitvinder
van de spiraalveer aan de balans.
De heen en weer gaande
beweging van de balans wordt
nu door de spiraalveer geregeld.
De balans is vergelijkbaar
met het gewicht van de slinger,
en de spiraalveer met de
zwaartekracht die de slinger
naar de laagste stand trekt.
In de onderstaande tekening is
het echappement van een
ankerhorloge afgebeeld.
Onderaan is de balans duidelijk
zichtbaar. Het anker gaat
helemaal schuil onder de balans
en de anker- en balanskloof.
Het ankerrad is echter goed
zichtbaar links van de balans.
Het secondrad grijpt in in het
ankerradsrondsel. Van dit rad
is slechts een klein gedeelte
zichtbaar. Op de as van het
secondrad is aan de andere zijde
van het uurwerk, waar zich
de wijzerplaat bevindt,
de secondewijzer aangebracht.
Dit rad draait in een minuut
een keer rond. In het
seconderadrondsel grijpt het
derde rad in. Dit rad is
duidelijk zichtbaar; het steekt
voor een groot deel boven
de kluif uit.
In het derderadrondsel grijpt
het minuutrad in, dat in het
midden van het uurwerk is
aangebracht en daarom ook wel
middenrad of centrumrad genoemd
wordt. Het minuutrad draait in
een uur eenmaal rond; aan de
voorzijde van het uurwerk is op
de as van dit rad het
wijzerwerk aangebracht.
In het minuutradrondsel grijpt
de veerton in. Deze gaat in de
afbeelding geheel schuil onder
het grote palrad, dat rechts is
afgebeeld. In de volgende
afbeelding is een uurwerk afgebeeld,
dat veel overeenstemming vertoont
met de vorige afbeelding.
De opwindas, wijst alleen
in de afbeelding naar links,
het uurwerk is dus ruim een
kwart gedraaid. Bij de afbeelding
zijn alle onderdelen afzonderlijk
afgebeeld.
- Uurwerken die electrisch
worden op gewonden
- Uurwerken waarbij het echappement
omgekeerd werkt, en dit
electrisch word aangedreven
- Uurwerken die door een elektromotor
worden aangedreven
Het is mogelijk om een
electrische opwindrichting te
koppelen aan een gewoon
mechanisch uurwerk. Bij een
uurwerk met een
gewichtsaandrijving kan
men dit heel makkelijk zo uitvoeren,
dat het gewicht in z'n laagste stand
contact maakt waardoor een
elektromotor in werking wordt gesteld,
die het gewicht optrekt, terwijl
het gewicht in z'n hoogste stand
het contact weer verbreekt.
Bij uurwerken met een
elektromachnetisch aangedreven
echappement wordt het gaande
werk aangedreven door het echappement.
In plaats dat het ankerrad het
anker aandrijft, wordt hier dus
het ankerrad door het anker aangedreven.
Dit stelt natuurlijk wel andere eisen
aan de constructie van het echappement.
Het echappement wordt hierbij
aangedreven door een langs
elektromagetische weg opgewekte
impuls.
De term kwartshorloge geeft aan
dat de seconde of delen daarvan nauwkeurig
gelijk gehouden worden door een trillend
stukje kwartskristal.
De naam zegt echter niet alles.
In zo'n horloge zijn nog enige
tienduizenden electronische onderdelen
aangebracht op een oppervlakte van enkele
vierkante mm.
Als een van deze talloze onderdelen los zit,
of kapot gaat op een of andere manier
functioneert het horloge niet meer.
Zo'n horloge gebruikt bijzonder weinig energie.
Hier een afbeelding van een kwartshorloge en
een digitaal kwartshorloge.