Er verandert en
verschuift veel in Parijs. Heel chique is het om te wonen in het aan de Seine grenzende
Marais en dan vooral rond de voorname Place des Vosges en nabij de Jodenwijk Rue des
Rosiers. Die wijken zijn danig gesaneerd en de astronomisch hoge huren hebben het 'petit
peuple', de handwerklieden en de eigenaars van kleine zaken, naar de provincie gedreven.
Langzaam maar zeker verschuift de stad toch in oostelijke richting, het gebied van de
arbeiders en emigranten. Black is beautiful wordt ook in Parijs gezegd, maar dat geldt
alleen 's nachts. Overdag vegen donkere Parijzenaars de trottoirs, halen het vuilnis op,
reinigen de metrotunnels of verkopen maskers en kettingen van ivoor aan de toeristen. Ze
horen thuis in Barbès-Rochechouart, de Afrikanenwijk in het noordelijk gelegen 18e
arrondissement.

132 nationaliteiten wonen langs de Seine: in Belleville voornamelijk Arabieren, de
Chinezen langs de Porte d'Ivry en de Japanners in het 1e arrondissement tussen
het Louvre en de Opéra. Er is nog altijd geen sprake van integratie, integendeel: heel
veel immigranten zijn bang dat ze ooit zullen gaan behoren tot de honderdduizenden, die al
verbannen zijn naar een van de gevreesde voorsteden, waar onpersoonlijke betonnen
blokkendozen voor hen klaarstaan, bespoten met slogans vol haatgevoelens, waar skinheads
hun afgerichte honden op kleurlingen afsturen en de jeugdwerkloosheid boven de vijftig
procent ligt.