            |
|

     
| Zestig procent van
Nederland ligt beneden de zeespiegel, en is door de mens zelf gemaakt. In het
begin van onze jaartelling is de mens begonnen om kleine stukjes moeras, en andere wat
hoger gelegen gebieden, te ontginnen. Dit deed men door middel van drainageslootjes, die
het overtollige water afvoerde naar rivier of zee. Het drogere land dat over bleef was
geschikt voor landbouw. Was er echter een erg hoge waterstand dan stroomde het gebied weer
onder, of gedeeltelijk en moest men weer over nieuw beginnen. Omdat men er voor wilde
zorgen dat land dat ontgonnen was niet weer zou onderstromen legde men dijken aan. Hiermee
is men begonnen rond de 11e eeuw. Met de dijken werden gevaarlijke zeearmen afgesloten.
Dit deden ze vooral in het drukker bevolkte Holland. Hier damde men de rivier de Rotte af,
en noordelijker de Amstel. Bij deze dammen ontstonden de havensteden Rotterdam en
Amsterdam. Dat zelfde Rotterdam is nu uitgegroeid tot de grootste haven van de wereld.
Toen men het dijken bouwen een beetje onder de knie begon te krijgen begon men in de 16de
en 17de eeuw meren die in vooral Holland aanwezig waren droog te malen. |
 |
| Dit deed
men door in de meren een dijk aan te leggen, een ringdijk, waarna men met behulp van
molens het water naar de hoger gelegen ringgracht pompte, waarna het waren via die
ringgracht werd afgevoerd. Het overgebleven land lag nog veel lager dan de polders en ligt
op sommige plaatsen in Nederland zelfs 16 meter onder de zeespiegel. Het vele geld dat
voor deze inpolderings-acties nodig was werd betaald door rijke kooplui uit bv. Amsterdam.
Als de polder droog was, mochten de boeren tegen betaling een stuk land kopen. Ook was het
mogelijk het water zo hoog op te pompen doordat men meerdere molens achter elkaar zette,
die dan vervolgens in een soort trap systeem het water naar de hoger gelegen ringgracht
pompten. |
 |
Omdat in de loop van
de eeuwen zoveel land is ingepolderd en dit meteen door de landbouw in gebruik werd
genomen is er van het oorspronkelijke door duinenrijen beschermde moerassige achterland
niet veel meer over. Van de vele duinen, kwelders, zilte en zoete moerassen, laag en
hoogvenen en rivierbossen zijn nog slechts resten over.Het resultaat was dat men tot 1900,
5500 vierkante kilometer land hadden ingepolderd. Nederland zag er voor de ramp dus zeer
vlak, met veel dijken, meren en rivieren uit.
Het Nederland voor de ramp van 1953 verschilt niet veel van dat van nu. Het was
laag akkerland met dijken waarop meestal bomen waren geplaatst. Alleen is er nu veel
minder natuur. Steden wegen en industrie verpesten het uitzicht. |
|