De watersnoodramp van 1953Het verhaal over de rampStel je 1953 voor, maar dan in een ander landWat schreven de mediaGeologieDe DeltawerkenWat is er door de deltawerken veranderd?Guided TourZoeken in de siteHoe werkt deze site?Hoeis deze site tot stand gekomen?

hoegebeu.gif (3167 bytes)

Hoe was de situatie in Zeeland voor de 31 januariHoe heeft de ramp plaatsgevondenWat was de schadeWat was de schadeHoe breekt een dijk doorHoe onstaan golven

Meer dan de helft van Nederland ligt lager dan de zeespiegel. Om dit deel te beschermen tegen de zee heeft men dijken gebouwd. In de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 bleek echter dat deze niet tegen het geweld van de zee bestendig waren. De golven vernielde in snel tempo de dijken en de zee stortte zich in de polders. Veel mensen waren totaal verrast, en hadden niet eens tijd om naar de zolder te vluchten. Anderen zagen het water komen en waren op weg naar huis toen ze door het water werden mee gesleurd. Met de boot door de straat...
Een "reddingsbootje" in het overstroomde gebied op zoek naar slachtoffers Hoe kon zo’n ramp nu gebeuren. Was het nu de storm die nog nooit zo hevig was geweest over waren er ook andere dingen. Om dit beter uit te kunnen werken zijn er twee oorzaken:

- menselijke factoren
- natuurlijke factoren
Bij de menselijke factoren hoeft slechts één factor aan de orde gesteld te worden: de dijken. Het dijkonderhoud valt voor het grootste deel onder de verantwoording van de waterschappen. Het bestuur van de waterschappen wordt gevormd door de dijkgraven en gezworenen. Door het waterschap is de totale lengte dijken opgedeeld in stukken. Elke dijkgraaf, die de landeigenaren van de polders achter zijn dijken vertegenwoordigd, is verantwoordelijk voor dat stuk dijk. Hij moet erop toe zien dat hij de dijken in goede staat verkeren en als nodig deze opgehoogd worden. De dijkgraven draaien voor een groot deel voor de kosten op. Als er sprake is van een zwakke dijk, spreken ook de provincie en de staat een woordje mee bij het onderhoud, omdat zij dit onderhoud van de dijkstukken financieren.
Bij de achteraf onderzoeken van de dijken die in 1953 doorbraken bleek dat deze:

1.over het algemeen te laag waren

2.met name de helling te steil waren.

3.de samenstelling van de dijken slecht       was

De  boulevard van Vlissingen
In 1943 was er al een bijna overstroming. Het water stroomde toen op sommige plaatsten gewoon over de dijk heen. Rijkswaterstaat sloeg alarm. Toen zij naar de hoogtes van de dijken onderzoek gingen doen bleek dat op heel wat dijkvlakken van de 475 km rond de Zeeuwse eilanden de dijken 20 tot 90 cm te laag waren. Bij Stavenisse was het zelfs zo erg dat de dijk 180 cm zou moeten opgehoogd worden, om tegen een overstroming bestendig te zijn. Na het rapport van rijkswaterstaat gebeurde er echter niets. De dijken bleven zo laag. Dit kwam enerzijds doordat het op dat moment oorlog was, maar ook na de oorlog gebeurde er niets aan de dijken. Men had het veel te druk met het weer opbouwen van het land, en het zich wapenen tegen de communistische dreiging.
DYKDOOR.jpg (8226 bytes) Ondanks de waarschuwing van vele deskundigen van Rijkswaterstaat, bezuinigde de staat flink op kustverdedigingen. 1952 was het budget nog maar 11 miljoen terwijl voor defensie 2,2 miljard werd uitgegeven. Behalve dat de dijken te laag waren, waren de meeste dijken veel te steil, wat van groot belang is wil de dijk niet doorbreken.
Als een dijk te steil is slaat de zee veel sneller gaten in de dijk omdat hij veel sneller afbrokkelt als de zee ertegen beukt. De meeste dijken waren 1: 1,5 tot 1: 1,75 maar er waren er ook die 1:1 waren. Dit wil zeggen als je 1m ophoog gaat : hoeveel ga je opzij. In die tijd was de samenstelling van de dijken erg slecht. De kern van een dijk bestond in die tijd uit zand of zavel. Daarover was een mantel van klei gelegd, en daarover een grasmat die voor het bij elkaar houden van de dijk zorgen moest. Door regenval en golf-overslag windt voortdurend erosie plaats. Als de grasmat en de kleien afdeklaag niet goed onderhouden worden, kan de dijk maar heel weinig hebben voordat hij doorbreekt. Door het slechte onderhoud van de dijken in de jaren voor 1953 verkeerde de klei laag en ook de grasmat in een zeer slechte slaat, zodat de dijken in 1953 sneller breken konden.
Veel mensen kwamen door het te laat op gang komen van de hulp om. Zij zaten bijvoorbeeld dagen vast op de daken, of de zolder van hun huizen, zonder voedsel. Waarom kwam de hulp dan zo traag op gang?
Ten eerste was er een groot gebrek aan communicatie met de getroffen gebieden en de rest van Nederland. Dit zorgde ervoor dat pas men er pas veel later achter kwam wat er gebeurd was, en niet wist waar de hulp nodig was.
zwypgolf.jpg (8191 bytes)
De tweede reden wad de gebrekkige leiding. Autoriteiten weten niet snel en doeltreffend op te treden. Er was ook geregeld onderlinge concurrentie tussen verschillende autoriteiten.
De laatste oorzaak was het grote gebrek aan hulpmiddelen. Bij de organisatie die bij zo’n ramp voor redding zorgen moeten was geen of gebrekkig materiaal aanwezig. Om in actie te komen moest men wachten op de hulp van het buitenland.
De lijkenboot Tijdens zo’n ramp ben je helemaal op jezelf aangewezen. Als de overheid niet snel genoeg hulp kan verzorgen zoals het hier het geval was zul je dus zelf er voor moeten zorgen dat velen in veiligheid worden gebracht. Zo deden de vissers uit Yerseke en Zierikzee prachtig werk door honderden mensen in veiligheid te brengen. Naast vissers uit Yerseke en Zierikzee kwamen er later ook visser uit andere delen van het land. Naast de visser hebben ook de zendamateur een belangrijke rol gespeeld. Zij zorgden er bv. voor dat er verbinding werd gelegd vanaf Schouwen Duiveland naar Middelburg

Op 1 februari zijn er verschillende factoren geweest die er voor kunnen zorgen dat er een abnormaal hoge waterstand ontstaat:

1. De windkracht: Deze kan er voor zorgen dat de golven hoger worden opgezweept.
2. Windveld: Als er een sterke wind staat heeft deze op de golven een stuwende werking. Er ontstaat een soort stroming. Hoe groter het windveld, wat betekend dat de wind over een heel stuk in de zelfde richting waait, deste hoger het water komt te staan waar naar toe geblazen wordt.
3. Stormeffect: Ook het stormeffect is bepalend voor de waterhoogtestand. Dit is een optelsom van windsnelheid + windrichting + opstuwing. Het maximale stormeffect treed meestal op 5 uur na de hoogste windsnelheid.
4. Afvoer van de rivier: Hoe meer water er wordt afgevoerd deste meer er zich ophoop voor de kust. Het kan niet de zee in stromen dus er ontstaan hogere waterstanden.
5. Getijden: De zee is altijd hoger als het volle maan is geweest. Dit komt omdat de maan aantrekkingskracht heeft waarmee ze het water een beetje naar zich toe trekt. Bij nieuwe maan staan de zon en de maan aan de zelfde kan. Dit zorgt voor veel meer aantrekkingskracht, waardoor het water hoger komt dan met vloed. Dit noemt men dan springvloed.
6. De duur van de storm: Als een storm langer duur, blijft het water steeds stijgen, omdat het tegen het land aan word geduwd.
Welke van deze factoren speelde nu mee op die beruchte zondag. Om te beginnen was de windkracht niet uitzonderlijk hoog. Op de middag van zaterdag de 31ste januari tot de middag van zondag 1 februari was de wind niet abnormaal. De wind had een snelheid van tussen de 15 en 20 meter per seconde, wat gelijk staat aan windkracht 8 tot 9. Later neemt de wind toe tot 26 m/s wat gelijk staat aan windkracht 11. ‘s nachts neemt het weer af tot windkracht acht.Het windveld speelde echter wel een grote rol. De depressie die voor veel wind zorgde kwam uit Groenland. autoin.jpg (17337 bytes)
Vanaf Groenland verplaatste hij zich in oostelijke richting maar boven de Noordzee aangekomen boog hij af naar zuidoostelijke richting. Dit betekende dat over een breedte van 1000 km het water de steeds smaller wordende Noordzee op werd geblazen.
Omdat de afvoer van de rivieren zeer laag was kon het daar niet aan hebben gelegen, en ook van springvloed was geen sprake. Wel duurde de storm op sommige plaatsten 1 ½ keer zo lang als tot toen toe gemeten was. De duur, windrichting, windkracht, en stuwing van het water dat door het kanaal wilde hebben er voor gezorgd dat op sommige plekken het water steeg tot 4,35 meter boven N.A.P.