                       |
|

  
| De
afsluiting ging als het volgt in zijn werk. Eerst werd de caisson naar de plek van de
plaatsing toe gesleept. Daarna werd op een tijdstip met weinig stroming de caisson
afgezonken. Dit werd naast een kraan gedaan die er voor moest zorgen dat de caissons recht
afzonken. Nadat deze was afgezonken, werd hij opgevuld met zand, of grind. en werd er een
opzetstuk opgezet om de caisson een grotere hoogte te geven. Na de plaatsing van alle
caissons werd er aan de voor en achterkant van de caisson nog eens voor 9 etmalen lang
zand ertegen gespoten, wat ervoor moest zorgen dat het zaakje op zijn plaatst bleef
liggen. |
 |
Dit opspuiten ging met 35000 kubieke meter per dag, wat door twee perszuigers
ertegen werd gespoten. Nadat alles was overspoten met zand, en er een asfalt laag was
gelegd op het zand was de dam klaar, en was het Veerse Meer aan een kant afgesloten. Later
werd er nog een brug en sluis door de dam aangelegd die ervoor moest zorgen dat de
scheepvaart voor Vlissingen en Middelburg, niet over de Noordzee maar binnendoor via het
kanaal door Walcheren het Veerse Meer en de Oosterschelde konden varen. Dit had vooral
voor de niet zeewaardige binnenvaart schepen grote voordelen. Zo komt het vaak voor dat je
als watersporter op het Veerse Meer te maken krijgt met beroeps binnenvaart.
Nadat men hem heeft afgesloten heeft men er later nog een sluis in gebouwd die voor de
scheepvaart tussen de Oosterschelde en Walcheren moest zorgen. |
 |
Om het
maken van de dam mogelijk te maken moesten de volgende punten in acht worden genomen.
1. De sluiting zou zoveel mogelijk bij lage waterstand tijdens een periode van doodtij
plaatsvinden door het plaatsen van gewapend betonnen eenheidscaissons.
2. De eenheidscaissons zouden moeten worden gezonken bij stroomsnelheden niet groter dan
0,80 m/s
3. De caissons zouden worden gezonken langs een goed verankerd drijvende kraan als
geleiding.
|
4. Er moest voldoende tijd beschikbaar zijn om met behulp van een drijvende
bok na het zinken van de caissons de 2 m hoge opzetstukken te plaatsten, zodat elke
gezonken caisson voor het volgende hoogwater van een opzetstuk zou zijn voorzien. Zonder
opzetstuk bedraagt de hoogte van de bovenkant van de elementen na plaatsing NAP + 1 m,
terwijl het hoogwater gedurende de periode van sluiting een peil van NAP 1,50 m boven NAP
bereikt.
5. Dezelfde dag moesten de geplaatste elementen worden gevuld met zand, terwijl aan
weerszijden een steenbestorting moest zijn aangebracht met het oog op de stabiliteit en
ter beperking van onderloopsheid.
6. De voegen tussen de geplaatste caissons moesten worden gevuld
Na met de volgende punten rekening te hebben gehouden, viel de geschikte week van
plaatsing in eind april en begin mei te doen. Op 29 april begon men met de plaatsing van
de eerste caisson. Op 2 mei zouden nog een 6 caissons worden geplaatst. Nadat op 3 mei,
door de sterkere stroming slechts 4 caissons konden worden geplaatst. Hierna restte er nog
een opening van 20 meter. Deze opening werd gedicht door twee aan elkaar gekoppelde
caissons op 4 mei te laten afzinken. Tijdens het plaatsten van die laatste caisson moest
men met de caisson tegen de stroming in varen die op dat moment 0,75 m/s was, in
westelijke richting. Tijdens het afzinken van de caisson liep deze echter terug naar 0,35
m/s en op 4 mei om 14.22 was het gat geblokkeerd. |
|