De watersnoodramp van 1953De DeltawerkenDeltaplanDe FinanciënDe dammenHollandse IJssel keringZandkreekdamVeersegatdamGrevelingenBrouwersdamVolkerakdamHaringvlietdamOosterscheldedamSt. PhilipsdamOesterdamMaeslantkeringTijdslijnOverzichtskaartWat is er veranderd door de DeltawerkenGuided TourZoeken over de siteHelpThe making of the site

volkdam.gif (3113 bytes)

AlgemeenDe damDe sluizenDe brugVerkeersplein Hellegatsplein

Omdat de dam in een geul werd gelegd waarin veel scheepvaart verkeer was tussen Rotterdam en Antwerpen moest er eerst een groot sluizen complex worden aangelegd dat tijdens de plaatsing van de caissons het scheepvaart verkeer nog gewoon richting Antwerpen varen kon.

Het sluizen complex werd gebouwd in een buitenpolder dicht bij Willemstad. Men maakte een bouwdok van ongeveer 350 meter breed en 850 meter lang. De buitenpolder, een polder die bij zeer hoge waterstanden onderwater kwam te staan, genaamd Maltha, die aan de bouwput grensde, zou dan gelijktijdig van een hoogzeewerende dijk worden voorzien.

Kaartje van de Volkerakdam
Tot de bouwwerken van de bouwput zouden onder andere de volgende punten gaan horen

1. Een werk- en opslagterrein, buiten de omringdijk van de bouwput gelegen

2. Een toegangsgeul, die het onder 1. genoemde werkterrein met het Hollandsch Diep verbindt. Deze toegangsgeul zou in een later stadium van de werken worden verbreed en dan deel uitmaken van de noordelijke voorhaven

3. Een wegverbinding naar de bouwplaats, via de zuidelijk van Willemstad gelegen Noord Langeweg. De weg zou geschikt worden gemakt voor zwaar aannemers verkeer; in aansluiting op deze weg zou een nieuwe weg worden aangelegd over de bandijk en door Malttha naar de bouwput.

4. De einden van de toeritten naar de brug, die het verkeer van de toekomstige Zoomweg over de sluizen zou leiden. Door deze ophogingen ter plaatste van de te maken landhoofden nu reeds aan te brengen krijgt de vrij slappe ondergrond ruimschoots gelegenheid zich te consolideren, waardoor een bijzonder ongunstige belasting van de landhoofden wordt vermeden

bouwbrug.jpg (11951 bytes) De bouwput had een zo flauwe belopen ontwerp, omdat men problemen had met een kleilaag die op 5 meter diepte lag. Bij bemaling van de put zou uit het daarboven liggende zandpakket water komen, waardoor het evenwicht van een steilere dijk niet kon worden verzekerd. Ter plaatse van de brugopritten, die zo dicht mogelijk tegen de toekomstige landhoofden moesten aan worden gelegd, werd om de stabiliteit te bevorderen voor de steilere taluds een afdekking van grindzand en grind gemaakt.
In deze bouwput werden de twee grote binnenvaart sluizen aangelegd. Echter was er een probleem. De schepen in de sluizen konden te maken krijgen met sterke windhinder. Als de wind van de zijkant komt zal een schipper moeten tegensturen. Doet hij dit niet dan zal hij naar gelange de windsnelheid zich in zijwaartse richting gaan afleggen. Stuurt hij echter wel tegen dan moet hij ervoor zorgen dat zijn boeg schuin in de wind ligt. Hierdoor wordt de echter breedte van het schip groter. Dit is geen probleem als je op een breed meer vaart maar wel als je in veel smallere waterwegen, als een kanaal, of een sluis. Daarom ging Rijkswaterstaat uitzoeken hoe ze de windhinder op de scheepvaart bij de Volkeraksluizen kon beperken. Het gat dat nog overgebleven was zou moeten worden gedicht met 14 caissons. Hiervan waren er 2 landhoofdcaissons en 12 doorlaatcaissons. De caissons die werden gemaakt in een nabij gelegen bouwdok waren daar al getest op waterdichtheid, zodat tijdens het vervoer geen moeilijkheden konden verwacht worden. Omdat de caissons en de sleepboten die ervoor nodig waren echter zo diep lagen moest er een geul naar de vaargeul worden gegraven. Hiermee werd begonnen eind 1968, en hij was in het voorjaar van 1969 klaar. Elke plaatsing van een caisson gaat volgens een vast patroon.
fotoslui.jpg (10693 bytes) Nadat de caisson in het bouwdok is gaan drijven door de holle caisson leeg te pompen wordt hij uit het bouwdok gesleept. Hierna wordt hij enige tijd geparkeerd enkele honderden meters voor de drempel waar de caissons op komen te liggen. Vervolgens wordt de caisson wanneer de stroomsnelheden voldoende zijn gedaald, langzaam door de sleepboten langzaam tot boven de drempel getrokken. Tijdens het tegen de stroming in varen ligt de caisson naar in de lengte t.o.v. de stroom. Dan wordt hij echter gedraaid. Dit wordt gedaan nadat men een hoek van de caisson in een andere hoek van een al eerder geplaatste caisson vast scharnieren. Dit gebeurd met lieren die als de kracht te groot word kabel laten vieren. Dan wordt als net voor de kentering van het tij de caisson net als een deur recht ten opzichte van de rest van de caissons getrokken. Nu ligt de caisson op zijn goede plaats. Als het tij nu kentert laat men de caisson weer vollopen met water waarna hij zinkt, en op de drempel komt de liggen. Door de balastbakken bovenop te vullen met zand en aan weerszijden stenen te storten wordt er voor gezorgd dat hij niet van zijn plaats kan. Ook worden de houten schotten en de ijzeren schuiven weggehaald of omhoog gedaan.
De plaatsing van de 14 doorlaat moest gaan plaatsnemen tussen 8 en 25 april. Men had al onderzoek gedaan naar wat de beste maand zou zijn om ze te plaatsten. De keuze was tussen maart, april, mei, of juni. De keuze viel op april omdat dan de minste stormen werden verwacht, en de afwatering van de maas en de waal was dan ook minder dan in maart. Ook deed men april ondanks iets ongunstigere verwachtingen dan mei of juni niet, omdat men voor dat de herfst stormen begonnen de caissons wilde hebben ondergespoten met zo’n dikke laag zand grind, stortsteen en asfalt dat de zee geen kans meer zou hebben de dam te doorbreken.
Zoals in het stuk over de Veersegat dam al was beschreven zou door de stroom de ondergrond niet sterk genoeg zijn op de caissons te dragen. Daarom maakte men ook hier weer een drempel die 61 meter lang was deze keer. Ook werd de grond voor deze drempel afgedekt met een laag die moest voorkomen dat de zandgrond zou wegspoelen en de drempel zou ondermijnen. Ook werd geconcludeerd uit de ervaring opgedaan bij de Veersedam dat het belangrijk was zo snel mogelijk al de caissons te plaatsten zodat de drempel in het overgebleven gat niet zou worden aangetast door het steeds sneller stromende water.
De drempel die werd aangelegd was een zeer stroomgeleidende drempel die door het waterloopkundig laboratorium was getest. De snelheid waarmee het opliep was 1:5, dit betekend per een meter stijging 5 meter verticale verplaatsing. Om de caissons op deze langzaam oplopende drempel te kunnen laten aansluiten moesten er twee landhoofdcaissons worden ontworpen.
Bij de plaatsing wilde men vooral in het begin veel gebruik maken van het daglicht. De caissons zouden bij de hoogwaterkentering worden afgezonken. De laatste plaatsing echter die op 25 april was gepland zou bij doodtij plaats vinden.
Voor het plaatsen van de caissons was een totale 20 dagen uitgetrokken. In deze 20 dagen waren enkele inhaaldagen geplaatst voor het geval men op bepaalde dagen geen caissons kon plaatsten of er een van zijn plek zou drijven waarna men weer op de vloed zou moeten wachten. De 20 dagen waren dus verdeeld in 14 afzinkdagen en 6 inhaaldagen.
Omdat 5 april echter vlak bij Pasen viel begon men pas de plaatsingen op 8 april. Nu werden 26 en 27 april als extra reserve datums gezien. Hierbij moest men rekening gaan houden met het daglicht, want maximaal één uur voor zonsondergang moest een caisson geplaatst zijn anders zouden zeer belangrijke werkzaamheden niet meer kunnen gedaan worden. De doorlaatcaissons die in het ondergelopen bouwdok op plaatsing stonden te wachten, werden twee dagen voor de plaatsing dicht gemaakt en leeggepompt, waarna ze gingen drijven. Dan werden ze door twee aanwezige sleepboten naar de parkeerplaatst gebracht, achter in het bouwdok. Daarna werden de caissons ‘aangekleed’. Dit duurde ongeveer een etmaal. De caisson werd voorzien van generatoren die voor de eigen elektriciteit behoefte zorgen. Ook pompen, schijnwerpers, kapbijlen, werplijnen en EHBO spullenen reddingsuitrustigen werden ‘aanboord’ gebracht.

Het vaarschema…..

Bij het plaatsten van de caissons in het sluitgat van het Volkerak was een aantal belangrijke tijdstippen te onderscheiden, en wel het ogenblik van vertrek uit het bouwdok naar de afwachtings opstelling benedenstrooms van de drempel, het moment waarop van de parkeerplaats werd opgevaren naar het sluitgat, het moment waarop de caisson indraaide, en tenslotte het ogenblik waarop de afsluiters werden geopend. Het ogenblik van het neerlaten van de caisson was helemaal niet duidelijk bekend. Daarom moest men schatten waarneer het doodtij zijn aanvang zou nemen.

Voor het plaatsen waren de volgende tijden berekend. Ten eerste duurde het 20 minuten om met de caisson van het bouwdok naar de parkeerplaats midden in de geul te varen. Daarna duurde het nog een 20 minuten voordat de caisson boven de drempel was aangeland. Daarna duurde het insteken en draaien van de caisson nog een 50 minuten. Vervolgens als deze op zijn plaatst lag duurde het nog 6 minuten voordat de caissons was afgezonken. Dit betekende dat de caisson 2 uur voordat de plaatsing kon plaatst vonden de caisson uit het bouwdok moest vertrekken. Wat bleek echter, dat de kentering in het Volkerak 2 uur na hoogwater zou gebeuren. Dit betekende dat de caissons zou moeten vertrekken uit het bouwdok met al afgaan water. Omdat de vaargeul van het bouwdok naar de parkeerplaats vrij smal was, kon als de caisson vastliep hij niet meer worden vlotgetrokken omdat het dan aflopend water was. Daarom besloot men de caisson 1 uur voor hoogwater te laten vertrekken. Dit betekende dan wel dat de caisson een uur langer op de parkeerplaats moest blijven liggen, wat een totaal van 1,5 of 2 uur betekende.

Op 25 april om 11.27 uur zakte de laatste caisson op de drempel. Deze datum was erg vroeg omdat er enkele dagen waren uitgevallen door te harde wind. Hier konden zelf niet de vloot van 7 sleepboten die totaal een sleepkracht hadden van 7100pk niets tegen beginnen.

Gaten…..

De overgebleven gaten in de dam werden dichtgestort met mijnstenen en op 28 april om 9.15 uur werden de 192 schuiven van de 12 doorlaatcaissons neergelaten. De Volkerakdam was dicht. Nu moes er nog 5,6 miljoen vierkante meter zand op de dam worden gespoten. De eerste miljoen vierkante meter was al na 3 weken verwerkt. Dit spuiten werd door drie hele grote zandzuigers gedaan . Dit waren de Queen of Holland, die vanaf de Brabantse oever zand perste, de Concorde en de Versde die zand vanaf het Hellegat over de caissons spoten