| De Veerse dam was de
eerste echte grote afsluiting van de deltawerken. Het totale getijdevolume bedroeg
gemiddeld zon 70 miljoen viekante meter water. Om te voorkomen dat het vele water te
snel ging stromen wilde men doorlaat-caissons gebruiken. Deze caissons waren al getest bij
het dichten van de Braakman en soort meer dat west en oost zeeuws vlaanderen in tweeen
spiltste. Hier gebruikte men de lange Phoenix-caisson. Deze had schiuiven die na het
dichen van het gat liet zakken, zodat de Braakman in een keer was afgesloten. Men was
opzoek naar een op de Phoenix lijkende caisson voor het dichten van het Veersegat. Maar de
wijze waarop dit gevaarte zich op de stenen drempel zou afzinken was onzeker. Als hij
scheef kwam te liggen kon er zon grote spanning ontstaan dan de caisson van vorm
veranderde. Dit kon tot gevolg hebben dat de schuiven bij het dichtlaten niet meer dicht
konden. Er was dus een caisson nodig die over de hele lengte sterk en stijf genoeg was om
vervorming tegen te gaan. Hiervoor had men hogere en sterkere zijwanden nodig dan tot toen
toe gemaakt waren. Ook bleek dat een caisson met alleen een onderbak niet genoeg
stabiliteit zou geven om de caisson van vervormen te weerhouden. Daarom werd een nieuw soort caisson ontworpen. Deze had zowel een onderbak
als een bovenbak. Op de plek waar het water er doorheen moest gaan stromen werd alleen de
wapening aangebracht en niet het beton. Zo werd ervoor gezorgd dat de caisson sterk was en
er ook nog water doorheen stromen kon. Om de bovenbak een onderbak met genoeg stevigheid
te verbinden werden de zijden waarmee de caissons tegen elkaar werden geplaatst van
dwarsliggers voorzien. Dit zorgde ervoor dat boven en onderbak niet ten opzichte van
elkaar bewegen konden.
Het uiteindelijke ontwerp was een waarvan de beide zijwanden
bestonden uit totaal vier tralieliggers van staal en verder met een onder- en bovenbak,
als randen van deze ligger. Daarbij kon de bovenrand tevens als ballastbak fungeren om de
caisson, na het afzinken en voor het sluiten , voldoende gewicht te geven tegen een
horizontale verschuiving over de drempel onder invloed van de optredende
waterstandverschillen na de sluiting
Verdere vereisten voor het ontwerp waren een hoge stabiliteit
tijdens het vervoer en na het afzinken van de caisson. Om dit te verzorgen plaatste men in
de oonderbak over de volle lengte een slingerschot dat na het afzinken in gedeelten plat
kon worden gelegd om de voorlopig nog noodzkelijke doorstroming niet te hinderen.
Naast stabiliteit moest er natuurlijk ook een groot
drijfvermogen aanwezig zijn. Dit betekende dat het later doorlaat stuk ook waterdicht
moest zijn. Hiervoor werd gezorgd door aan de ene kant de al nodige schuiven te laten
zakken, en aan de andere kant de caissons te voorzien van grote zware houten schotten, die
over de volledige lengte van de caisson werden gemonteerd. |