                       |
|

   
De zeven
doorlaatcaissons waren in een apart daarvoor aangelegd poldertje in elkaar gezet. Na de
dijken weg te hebben gehaald kon door sterke sleepboten de caissons een voor een op zijn
plaats worden gesleepd. De caissons werden vlak voor doodtij, wat inhoud dat het water
even tussen eb en vloed in stil staat, neergelaten op de drempel. Hierbij werden de de
caissons gevult met water, en de houten schotten door sleepboten weggetrokken. Aan de kant
van het meer, dat moest ontstaan, hees men de schuiven omhoog, en zo ontstond er een
opening waardoor het water vrij kon stromen. De bovenbak van de caisson werd opgevult met
zand waardoor hij niet meer van zijn plaats kon worden geduwd door de stroming. Op dit
zand werd een tijdlijke weg aangelegd om de andere caissons te kunnen bereiken. Nadat de
zevende caisson was geplaatst was er nog een gat van 5 meter breed. Dit werd opgevult met
stortstenen, grind, en zand. Nu kon het water alleen maar door de caissons stromen.
Nadat voor de laaste keer de 70 miljoen viekante meter water naar zee was terug gestroomd
liet men op 27 april de sluizen op doodtij neer. De Veersedam was gesloten en het Veerse
Meer een feit.
Nu kon men beginnen met het storten van stenen voor een achter de dam. Hierna werd de dam
met zand overspoten. Hierover kwam een grote laat asfalt. Aan de kant van het Veerse Meer
kwam een weg en voor de dam een groot breed strand. In de negentiger jaren is het geheel
opgespoten met zand en daarna helmgras daarover geplant. Men wilde de van de zwarte
asfalt dam een duin maken. |
|