                       |
|

     
| Het passeren van de
Philipsdam maakt deel uit van de doorgaande hoofdscheepvaart daarom mocht de dam niet
helemaal dicht zijn. Ondanks een dam zou de verbinding tussen het noordelijke delta gebied
en het kanaal door Zuid-Beveland open moeten blijven. Hiervoor zou men sluizen moeten
aanleggen. Er was een zeer groot sluizen complex nodig op ook de grote scheepvaart door te
laten. Ook zou men een jachtsluis aanleggen. Hierover zou dan een brug komen te liggen die
verbinding over de weg met de Grevelingen dam mogelijk zou moeten maken. |
 |
 |
Het plan was om twee
sluizen van 280 m lang en 24 m breed te maken. Deze maten zijn zo groot opdat dan
binnenvaart schepen met vier duwbakken ervoor ook in de sluis zouden passen. Er wordt ook
nog ruimte vrij gelaten voor een eventuele derde sluis, die als de scheepsvaart in grote
en getale, eventueel gemaakt zou kunnen worden. Voor de sluizen komen voorhavens. Deze
hebben allebei een lengte van 1300 meter. Hierin zou men voor de schepen, geleidewerken,
opstelplaatsten en wachtplaatsen aanbrengen. Ten noorden van de twee sluizen zou een
jachtsluis komen. Deze had ook een eigen voorhaven, en heeft een lengte van 75 m en een
breedte van 9 meter. Ook hier is ruimte overgelaten voor een eventuele tweede sluis. Dit
zal nodig zijn als de toestroming van plezier vaart blijft toenemen. De beroeps en
recreatievaart zijn door de aanleg van verschillende sluizen - bewust- van elkaar
gescheiden. De sluizen liggen op de grens tussen het zoute Oosterschelde water en het
zoete Krammer/Volkerak meer. Daarom is een ingewikkeld zout/zoet scheidingssysteem
bedacht, waarvan het principe al bij het ontwerpen van de Kreekraksluizen in de
Schelde-Rijnverbinding is ontwikkeld. |
Bij het opengaan
van de sluizen zou het zoete water het leven in de zoute Oosterschelde kunnen aantasten en
anders om. Hiervoor moest de water uit de kolk , gedeeltelijk of geheel worden vervangen
door het water waar de sluis naar open zou gaan. Met deze opgave begonnen ze te ontwerpen.
Bij het ontwerpen maakte men van het feit gebruik dat zoet water op zout water drijft. Dit
komt opdat het zoute water zwaarder is.
Het systeem zat zo in elkaar:
1. Men komt met een de sluis ingevaren vanaf de
Oosterschelde
2. De deuren gaan dicht
3. Het water peil begint te dalen. Het zoute water wordt aan de onderkant weggepompt. Aan
de bovenkant wordt er zoet water opgepompt.
4. Als het water ver genoeg is gezakt en het zoute deel wat anders in verbinding kwam te
staan met het zoete is weggepompt kan de sluis open.
|

|

|
Nu ben je in
het lager gelegen zoete deel, en je wilt terug
1. Vaart naar binnen
2. Sluizen dicht
3. Zoete water wordt aan bovenkant voor het grootste deel weggepompt, terwijl men aan de
onderkant zout water erbij pompt.
4. Als het pijl weer zo is als dat in de Oosterschelde kan de deur open.
|

|
Op de tekening kun je zien dat er toch
elke keer weer zoet water in de Oosterschelde terecht komt. Dit is echter niet zo erg
omdat het maar weinig is. Dit is ongeveer net zoveel als normaal, voor de Deltawerken
binnenstoomde. Voor het systeem dat men toen bedacht moesten
er echter heel ingewikkelde riolen worden aangelegd. Deze stonden in
verbinding met twee bekkens. Deze water 41 ha en 45 ha groot. De enen had een hoge
waterstand, en de andere had een lage waterstand. Deze zorgde ervoor dat als het laagwater
op de Oosterschelde was ze toch zout water in de sluizen konden oppompen. Om deze bekkens
op hoogte te houden werd er een groot gemaal toegepast dat 40 vierkante meter water per
seconde kon oppompen. In de jachtsluis werd geen buffer-bekken gebruikt. Hier werd gebruik
gemaakt van een klein gemaal met een capaciteit van 4 vierkante meter per seconde. |
|