De watersnoodramp van 1953De DeltawerkenDeltaplanDe FinanciënDe dammenHollandse IJssel keringZandkreekdamVeersegatdamGrevelingenBrouwersdamVolkerakdamHaringvlietdamOosterscheldedamSt. PhilipsdamOesterdamMaeslantkeringTijdslijnOverzichtskaartWat is er veranderd door de DeltawerkenGuided TourZoeken over de siteHelpThe making of the site

Oosterscheldedam

AlgemeenProblemenHet planOnderzoekSchepenDe bouwNatuur

In en rond de Oosterschelde komen vele planten- en dierensoorten voor. De watertemperatuur en het zoutgehalte in de Oosterschelde zijn hoog en dit is erg aangenaam voor een groot aantal vissen en waterplante. Er komen vele soorten voor en ook nog eens in grote hoeveelheden. Door een samenloop van omstandigheden komen op sommige plekjes bijzondere soorten voor. Op sommige plekken waar de groei van de natuur wat minder snel gaat, grijpt de mens in. Zo zijn bij het bouwen van dammen en dijken verschillende steensoorten gebruikt: eenden.jpg (13317 bytes)

Vilvoordse kalksteen uit Belgie, basalt uit Duitsland, beton, mijnsteen etc.

meeuw1.jpg (10059 bytes)

Van een groot aantal vissoorten groeien de jongen op, in de Oosterschelde:
tong, kabeljouw, zeebaars, schol, schar, haring.

Van de volgende vissoorten worden de jongen in de Oosterschelde geboren:
geep, harnasmannetje, ansjovis, zeenaalden, puitaal, zeedonderpad.

Er zijn zo’n 66 vissoorten prominent in de Oosterschelde voorkomen en er zijn ook nog eens 15 soorten die zo af en toe eens voorkomen. Een aantal hiervan die slechts zeer zelden worden gezien zijn de:

zalm, elft, steur, zeeduivel.

Sommige vissen komen in zeer grote hoeveelheden voor:
schol, tong, jonge platvissen, bot

In de Oosterschelde komen zeer veel soorten volgels voor. Alleen in het Waddengebied zijn er nog meer te vinden. De volgende dingen zijn erg belangrijk voor veel verschillende en grote aantallen vogels:

-stromend water met een hoog zoutgehalte (weinig kans op dichtvriezen in de winter)
-zuiver water (niet vervuild)
-landelijke omgeving
-genoeg voedsel

Het vele voedsel voor de vogels bestaat uit:
mossels, wormen, kokkels, garnalen, visjes, zeegras, darmwier, zeesla.

fazant.jpg (20630 bytes)
Vele vogels komen ook naar het Deltagebied om te overwinteren. Een heleboel eenden, ganzen en andere vogelsoorten overwinteren elk jaar in de omgeving van de Oosterschelde.
nest.jpg (13500 bytes)

De rotskustbewoners komen maar op een paar plaatsen langs de Nederlandse kunst voor. De stenen die bij de bouw van de dijken gebruikt zijn worden dan ook bewoont met zeeannemonen, sponzen, mateldieren en brokkelsterren. Een dier dat door de meeste strandgangers niet als prettig wordt ervaart is de kwal. Als de wind ongustig staat, willen er nog wel eens grote hoeveelheden van deze weekdieren aanspoelen. De meeste kwallen hebben vangarmen die - als ze in aanraking komen met de huid- jeuk veroorzaken. De kwallen die aan de Nederlandse kust voorkomen zijn echter niet levensgevaarlijk. De zeewieren die op de Zeeuwse dijken voorkomen, benadrukken de unieke flora en fauna nog maar eens:

-42 soorten roodwieren -34 soorten bruinwieren -30 soorten blauwwieren -38 soorten groenwieren

Wat de dieren betreft zijn ook een aantal bijzondere soorten te noemen.

-Neem bijvoorbeeld de Zeeuwse kreeft, slakken, borstelwormen, zeepokken, zeesterren, krabben en garnalen. Deze komen in betrekkelijk grote hoeveelheden voor, daar waar ze anders maar zelden gevonden worden.
-De inktvis is een heel ander verhaal. Zij komen speciaal van de zuidkust van Engeland naar de Oosterschelde om te paren.

litduck.jpg (6620 bytes)
-Vroeger kwam de zeehond nog veel voor in de zeearm. Door de kwik- en olieverontreinigingen die in de loop van de jaren steeds iets meer werden, verdween de zeehond langzaam. Een andere factor was de watersport die de rust van de dieren verstoorde. De laatste jaren gaat het met het milieu weer de goede kant op en vele natuurbeschermers zitten te wachten op het moment dat de zeehond zijn herintreden maakt.
knopeend.jpg (9395 bytes)

De mossels en oesters zijn erg belangrijk voor de Zeeuwse vissers. Niet elk jaar wordt er evenveel ‘geoogst’, want de ‘mosselboeren’ zijn erg afhankelijk van het weer. Alle omstandigheden dragen bij tot een goede of juist slechte kwaliteit van zo’n schelpdier. Daarom moeten de plaatsen nauwkeurig gekozen worden:
-Het water moet snel stromen, zodat er genoeg plankton aangevoert wordt.
-Als het water te snel stroomt, kunnen de mossels overspoelt worden met zand.
-Een perceel wordt omgeven met lange takken esse- of eikehout.
-Tijdens het verwateren (tot rust komen)moeten de mossels op een harde, vlakke bodem liggen en omgeven zijn met schoon water.

Het beeld van gammele vissersbootjes is al lang verdwenen. De meeste vissers hebben een middelgrote kotter met moderne apparatuur. Deze vissers varen regelmatig naar de Waddenzee om er mossels en oesters te brengen of te halen.

Het mosselseizoen loopt vanaf juli tot in het vroege voorjaar. Die mossels worden uitgevoert naar Frankrijk en Belgie. In deze landen is het een sport geworden om als eerste de nieuwste mosselen te serveren in de geboortestreek. Natuurlijk worden er in Zeeland zelf ook veel mossels gegeten. De ultieme mosselstad is Yerseke, die bijna geheel afhankelijk is van de mosselindustrie.
In het Oosterscheldegebied komt ongeveer 1725 ha schor voor. Schorren zijn met zoutplanten begroeide delen van een gebied dat onder invloed is van de getijdewerking. De schorren worden doorsneden met kreken. Als de schorren hoger dan N.A.P. liggen, kunnen er planten op gaan groeien.
Door de Deltawerken zullen vele schorren verdwijnen en deze gebieden zullen nooit meer blijven wat ze waren. De mens heeft ook positieve dingen gedaan voor de schorren. Er worden bijvoorbeeld greppels gegraven en schapen losgelaten die de schorren beweiden.
koe.jpg (19910 bytes)