                       |
|

      
| In en rond de
Oosterschelde komen vele planten- en dierensoorten voor. De watertemperatuur en het
zoutgehalte in de Oosterschelde zijn hoog en dit is erg aangenaam voor een groot aantal
vissen en waterplante. Er komen vele soorten voor en ook nog eens in grote hoeveelheden.
Door een samenloop van omstandigheden komen op sommige plekjes bijzondere soorten voor. Op
sommige plekken waar de groei van de natuur wat minder snel gaat, grijpt de mens in. Zo
zijn bij het bouwen van dammen en dijken verschillende steensoorten gebruikt: |
 |
Vilvoordse kalksteen uit Belgie, basalt uit Duitsland, beton, mijnsteen etc. |
 |
Van een groot aantal vissoorten groeien de jongen op,
in de Oosterschelde:
tong, kabeljouw, zeebaars, schol, schar, haring.
Van de volgende vissoorten worden de jongen
in de Oosterschelde geboren:
geep, harnasmannetje, ansjovis, zeenaalden,
puitaal, zeedonderpad.
Er zijn zon 66 vissoorten prominent in de Oosterschelde voorkomen en er zijn
ook nog eens 15 soorten die zo af en toe eens voorkomen. Een aantal hiervan die
slechts zeer zelden worden gezien zijn de: |
zalm, elft, steur, zeeduivel.
Sommige vissen komen in zeer grote
hoeveelheden voor:
schol, tong, jonge platvissen, bot |
| In de Oosterschelde komen zeer veel soorten volgels voor. Alleen in
het Waddengebied zijn er nog meer te vinden. De volgende dingen zijn erg belangrijk voor
veel verschillende en grote aantallen vogels:
-stromend water met een hoog zoutgehalte (weinig
kans op dichtvriezen in de winter)
-zuiver water (niet vervuild)
-landelijke omgeving
-genoeg voedsel
Het vele voedsel voor de vogels bestaat uit:
mossels, wormen, kokkels, garnalen, visjes, zeegras, darmwier, zeesla. |
 |
| Vele
vogels komen ook naar het Deltagebied om te overwinteren. Een heleboel eenden, ganzen en
andere vogelsoorten overwinteren elk jaar in de omgeving van de Oosterschelde. |
 |
De rotskustbewoners komen maar op een paar plaatsen langs de
Nederlandse kunst voor. De stenen die bij de bouw van de dijken gebruikt zijn worden dan
ook bewoont met zeeannemonen, sponzen, mateldieren en brokkelsterren. Een dier dat door de
meeste strandgangers niet als prettig wordt ervaart is de kwal. Als de wind ongustig
staat, willen er nog wel eens grote hoeveelheden van deze weekdieren aanspoelen. De meeste
kwallen hebben vangarmen die - als ze in aanraking komen met de huid- jeuk veroorzaken. De
kwallen die aan de Nederlandse kust voorkomen zijn echter niet levensgevaarlijk. De
zeewieren die op de Zeeuwse dijken voorkomen, benadrukken de unieke flora en fauna nog
maar eens: |
| -42 soorten roodwieren -34 soorten
bruinwieren -30 soorten blauwwieren -38 soorten groenwieren |
Wat de dieren betreft zijn ook een aantal bijzondere soorten te
noemen.
-Neem bijvoorbeeld de Zeeuwse kreeft, slakken, borstelwormen, zeepokken, zeesterren,
krabben en garnalen. Deze komen in betrekkelijk grote hoeveelheden voor, daar waar ze
anders maar zelden gevonden worden.
-De inktvis is een heel ander verhaal. Zij komen speciaal van de zuidkust van Engeland
naar de Oosterschelde om te paren. |
 |
| -Vroeger
kwam de zeehond nog veel voor in de zeearm. Door de kwik- en olieverontreinigingen die in
de loop van de jaren steeds iets meer werden, verdween de zeehond langzaam. Een andere
factor was de watersport die de rust van de dieren verstoorde. De laatste jaren gaat het
met het milieu weer de goede kant op en vele natuurbeschermers zitten te wachten op het
moment dat de zeehond zijn herintreden maakt. |
 |
De mossels en oesters zijn erg belangrijk voor de Zeeuwse vissers.
Niet elk jaar wordt er evenveel geoogst, want de mosselboeren zijn
erg afhankelijk van het weer. Alle omstandigheden dragen bij tot een goede of juist
slechte kwaliteit van zon schelpdier. Daarom moeten de plaatsen nauwkeurig gekozen
worden:
-Het water moet snel stromen, zodat er genoeg plankton aangevoert wordt.
-Als het water te snel stroomt, kunnen de mossels overspoelt worden met zand.
-Een perceel wordt omgeven met lange takken esse- of eikehout.
-Tijdens het verwateren (tot rust komen)moeten de mossels op een harde, vlakke bodem
liggen en omgeven zijn met schoon water.
Het beeld van gammele vissersbootjes is al lang verdwenen. De meeste vissers hebben een
middelgrote kotter met moderne apparatuur. Deze vissers varen regelmatig naar de Waddenzee
om er mossels en oesters te brengen of te halen. |
Het mosselseizoen
loopt vanaf juli tot in het vroege voorjaar. Die mossels worden uitgevoert naar Frankrijk
en Belgie. In deze landen is het een sport geworden om als eerste de nieuwste mosselen te
serveren in de geboortestreek. Natuurlijk worden er in Zeeland zelf ook veel mossels
gegeten. De ultieme mosselstad is Yerseke, die bijna geheel afhankelijk is van de
mosselindustrie.
In het Oosterscheldegebied komt ongeveer 1725 ha schor voor. Schorren zijn met zoutplanten
begroeide delen van een gebied dat onder invloed is van de getijdewerking. De schorren
worden doorsneden met kreken. Als de schorren hoger dan N.A.P. liggen, kunnen er planten
op gaan groeien.
Door de Deltawerken zullen vele schorren verdwijnen en deze gebieden zullen nooit meer
blijven wat ze waren. De mens heeft ook positieve dingen gedaan voor de schorren. Er
worden bijvoorbeeld greppels gegraven en schapen losgelaten die de schorren beweiden. |
 |
|