                       |
|

    
 |
In 1957
begon men midden in het Haringvliet, op de grens met de Noordzee een dijk op te spuiten in
een rechthoekige vorm. Er ontstond midden in zee als het ware een meer van 1400 meter lang
en 600 meter breed. Dit meer werd leeggepompt en daardoor ontstond een put van 10 meter
diep die als bouwput voor de sluizen diende. Het eerste groei-jaar van de Haringvlietdam
was een feit. Omdat de grond in de put heel erg zacht was, zouden de pijlers die de
schuiven voor de sluizen moesten dragen zo wegzakken in de grond. Hiervoor moesten 22000
palen, waarvan er sommige meer dan 20 meter lang waren, de grond in worden geheid. Bovenop
die palen werd nog eens een 3 meter dikke laag beton gestort waar de pijlers op gebouwd
konden worden. De eerste pijlers waren 4 jaar nadat de bouwput gedicht was klaar. Over de
1400 meter lengte werden 18 pijlers gebouwd, en tussen die pijlers werden zogenaamde
liggers geplaatst. Dat gebeurde met een speciale kraan van 40 meter hoog, die de liggers
tussen de pijlers "hing". Onder de liggers werden grote stalen armen gebouwd
waarmee later de schuiven, die het water tegen moesten houden, konden worden bewogen. |
| Intussen
werd op het vasteland hard gewerkt aan die schuiven. Deze hadden een afmeting van ruim 56
bij 6 meter. De eerste schuif werd in 1963 geplaatst. In de loop van de tijd kregen de
overige 33 schuiven hun plaats in de dam. Er waren dus 17 openingen met elk 2 schuiven, de
ene aan de zeekant de andere aan de kant van het meer. Toen alle schuiven in 1966
geplaatst waren kon de bouwput worden weggehaald. De bouwput werd weer volgepompt en de
dijk werd weggehaald. |

|
|