                       |
|

      
 |
Na de sluiting van de
Brouwersdam stond het water in de Grevelingen van de ene op de andere dag stil, want er
was geen eb en vloed stroming meer. Op het eerste gezicht maakt dat niet zoveel uit, maar
als je even wat beter op let weet je dat er veel af hangt van eb en vloed. Om te beginnen
bij de scholeksters, zij leefden op de hogere oevers lang de Grevelingen, maar zochten hun
voedsel bij laag water op de slikken bij de oever. Toen het water steeds op hetzelfde peil
bleef, kwam er voor hen geen nieuw voedsel bij. De kleinere schelpdieren gingen al na een
aantal dagen dood. Ook planten die net boven het waterpeil leven, waren gewend dat zij
elke dag 2 maal onder water kwamen te staan, maar na de sluiting gebeurde dat helemaal
niet meer. |
| Een groot aantal
soorten ging dus ook dood door "verdroging". Twee weken na de sluiting van de
Grevelingen was de oever een groot kerkhof geworden. In eerste instantie ging het leven in
de Grevelingen zelf gewoon door, maar omdat er door de sluiting geen nieuw water de
Grevelingen binnen kwam bleef ook de zuurstof in het water, dat door het Noordzeewater
werd meegenomen, weg. Ook voedsel uit de Noordzee kwam de dam niet voorbij. De eerste
mossels gingen na een klein poosje al dood. Ook andere dieren konden aan het voedsel
probleem niet ontkomen, zij gingen dood en begonnen te rotten. |
 |
 |
Als iets gaat rotten
is daar zuurstof voor nodig, er werd dus steeds meer zuurstof uit het water gehaald
terwijl er nauwelijks zuurstof binnenkwam, dit had dus een versnellingseffect voor de
ondergang van vele planten en dieren. Gelukkig konden een aantal planten en dieren zich
nog aanpassen, maar van de planten en dieren die er ook waren voor de sluiting, zal je als
gewone voorbijganger weinig zien, tenzij je gaat duiken! Op de drooggevallen slikken op de
oever kwam ook geen water meer, het ging dus uitdrogen en na een tijdje begon het zand
ervan te stuiven, alles waaide als het ware weg. Men wilde dat voorkomen en men begon dat
op twee manieren te bestrijden. Als eerste werden op de drooggevallen gronden
verschillende soorten grassen en granen ingezaaid die het zand bij elkaar houden, zodat
het niet verstuift. Ten tweede zette men takkenscheremen op de zandgronden waarachter het
zand bleef liggen, het stuifde "tegen" de takken op zodat er een soort duinen
ontstonden. Na een tijdje begon het zand minder te stuiven omdat er tussen het zand ook
veel schelpen zaten. Het zand waaide wel weg, maar de schelpen bleven liggen zodat deze
een soort beschermlaag over het overige zand vormde. Op deze schelpenvlakten wilden een
aantal nieuwe vogelsoorten zich wel vestigen. In de eerste jaren maakten onder andere
kluten, strandplevieren, bontbekplevieren en dwergsterns een broedplek van de
schelpenvlakten, maar omdat deze langzamerhand begroeiden liep hun aantal terug en kwamen
andere soorten zoals kievieten, tureluurs, grutto's en leeuwerikken hier broede, want deze
soorten houden juist van een begroeide plek. De Hompelvoet, een eiland in de Grevelingen,
is nu ook nog steeds de grootste broedplaats voor grote sterns in het Deltagebied, met
zo'n 3000 broedparen. Er zijn ook vogels die speciaal voor het zeegras naar de Grevelingen
zijn gekomen. In de Grevelingen zijn duizenden hectare van de bodem bezaaid met het
zeegras. Zelfs op de diepere delen van de Grevelingen komt het nog voor. Dat komt omdat
het water in de Grevelingen heel helder is, zodat het zonlicht ook bij de diepe delen van
het meer kan komen. Vooral de rotgans eet veel zeegras, maar ook meerkoeten, smienten en
knobbelzwanen lusten er wat van. In het zeegras leven nu ook veel kruiskwalletjes, een
klein mooi kwalletje dat heel pijnlijk kan steken. Ook de zwarte grondel is een nieuw
visje in Nederland, voor het eerst werd het in 1964 in het Veerse Meer ontdekt, en nu
leeft het ook in het Grevelingenmeer. Met de fuikhoren is het niet veel anders gegaan,
eerst werd deze slak alleen in de kanalen op Walcheren Zuid-Beveland gesignaleerd, nu is
hij een van de meest voorkomende slakken in het meer. Jonge schollen die voor de sluiting
van de dam in de Grevelingen zwommen, werden door de afsluiting opgesloten. De eerste
jaren hadden zij geen last van de afsluiting, maar na een paar jaar wilden zij toch
instinctief naar zee, omdat het water in het Grevelingenmeer niet diep genoeg is. Zij
zwommen naar de dam toe, en bleven daar heen en weer zwemmen. De sportvissers hadden dit
heel snel door en kwamen in groten getale naar de dam om daar te vissen. Bijna was de
schol uit het Grevelingen gevist, maar er werden nieuwe schollen uitgezet en sinds de
voltooiing van de doorlaatsluizen in de Brouwersdam kunnen de schollen daardoor naar de
Noordzee zwemmen.
Toen de Grevelingen werd afgesloten was iedereen bang dat alle oesters in Zeeland
zouden verdwijnen. Omdat door de strenge winter van 1962-1963 al bijna alle oesters waren
uitgestorven was er nog maar weinig hoop. Op een dag werd ontdekt dat er in het
Grevelingenmeer toch nog oesters zaten, en de vreugde werd nog groter toen men er achter
kwam dat deze oesters elk jaar nog voor miljoenen jonge oestertjes zorgden.
Zo is wel gebleken dat vele dieren en planten door de afsluiting van de Brouwersdam
en de Grevelingendam zijn verdwenen in het zoute Grevelingenmeer, maar dat in de plaats
van hen ook vele nieuwe soorten zijn gekomen. |
|