De watersnoodramp van 1953De DeltawerkenDeltaplanDe FinanciënDe dammenHollandse IJssel keringZandkreekdamVeersegatdamGrevelingenBrouwersdamVolkerakdamHaringvlietdamOosterscheldedamSt. PhilipsdamOesterdamMaeslantkeringTijdslijnOverzichtskaartWat is er veranderd door de DeltawerkenGuided TourZoeken over de siteHelpThe making of the site

brouwdam.gif (3010 bytes)

AlgemeenHet PlanDe bouwKabelbaanCaissonDoorlaatsluisNatuur

Vogel Na de sluiting van de Brouwersdam stond het water in de Grevelingen van de ene op de andere dag stil, want er was geen eb en vloed stroming meer. Op het eerste gezicht maakt dat niet zoveel uit, maar als je even wat beter op let weet je dat er veel af hangt van eb en vloed. Om te beginnen bij de scholeksters, zij leefden op de hogere oevers lang de Grevelingen, maar zochten hun voedsel bij laag water op de slikken bij de oever. Toen het water steeds op hetzelfde peil bleef, kwam er voor hen geen nieuw voedsel bij. De kleinere schelpdieren gingen al na een aantal dagen dood. Ook planten die net boven het waterpeil leven, waren gewend dat zij elke dag 2 maal onder water kwamen te staan, maar na de sluiting gebeurde dat helemaal niet meer.
Een groot aantal soorten ging dus ook dood door "verdroging". Twee weken na de sluiting van de Grevelingen was de oever een groot kerkhof geworden. In eerste instantie ging het leven in de Grevelingen zelf gewoon door, maar omdat er door de sluiting geen nieuw water de Grevelingen binnen kwam bleef ook de zuurstof in het water, dat door het Noordzeewater werd meegenomen, weg. Ook voedsel uit de Noordzee kwam de dam niet voorbij. De eerste mossels gingen na een klein poosje al dood. Ook andere dieren konden aan het voedsel probleem niet ontkomen, zij gingen dood en begonnen te rotten. Kolonie van vogels
Meeuw Als iets gaat rotten is daar zuurstof voor nodig, er werd dus steeds meer zuurstof uit het water gehaald terwijl er nauwelijks zuurstof binnenkwam, dit had dus een versnellingseffect voor de ondergang van vele planten en dieren. Gelukkig konden een aantal planten en dieren zich nog aanpassen, maar van de planten en dieren die er ook waren voor de sluiting, zal je als gewone voorbijganger weinig zien, tenzij je gaat duiken! Op de drooggevallen slikken op de oever kwam ook geen water meer, het ging dus uitdrogen en na een tijdje begon het zand ervan te stuiven, alles waaide als het ware weg. Men wilde dat voorkomen en men begon dat op twee manieren te bestrijden. Als eerste werden op de drooggevallen gronden verschillende soorten grassen en granen ingezaaid die het zand bij elkaar houden, zodat het niet verstuift. Ten tweede zette men takkenscheremen op de zandgronden waarachter het zand bleef liggen, het stuifde "tegen" de takken op zodat er een soort duinen ontstonden. Na een tijdje begon het zand minder te stuiven omdat er tussen het zand ook veel schelpen zaten. Het zand waaide wel weg, maar de schelpen bleven liggen zodat deze een soort beschermlaag over het overige zand vormde. Op deze schelpenvlakten wilden een aantal nieuwe vogelsoorten zich wel vestigen. In de eerste jaren maakten onder andere kluten, strandplevieren, bontbekplevieren en dwergsterns een broedplek van de schelpenvlakten, maar omdat deze langzamerhand begroeiden liep hun aantal terug en kwamen andere soorten zoals kievieten, tureluurs, grutto's en leeuwerikken hier broede, want deze soorten houden juist van een begroeide plek. De Hompelvoet, een eiland in de Grevelingen, is nu ook nog steeds de grootste broedplaats voor grote sterns in het Deltagebied, met zo'n 3000 broedparen. Er zijn ook vogels die speciaal voor het zeegras naar de Grevelingen zijn gekomen. In de Grevelingen zijn duizenden hectare van de bodem bezaaid met het zeegras. Zelfs op de diepere delen van de Grevelingen komt het nog voor. Dat komt omdat het water in de Grevelingen heel helder is, zodat het zonlicht ook bij de diepe delen van het meer kan komen. Vooral de rotgans eet veel zeegras, maar ook meerkoeten, smienten en knobbelzwanen lusten er wat van. In het zeegras leven nu ook veel kruiskwalletjes, een klein mooi kwalletje dat heel pijnlijk kan steken. Ook de zwarte grondel is een nieuw visje in Nederland, voor het eerst werd het in 1964 in het Veerse Meer ontdekt, en nu leeft het ook in het Grevelingenmeer. Met de fuikhoren is het niet veel anders gegaan, eerst werd deze slak alleen in de kanalen op Walcheren Zuid-Beveland gesignaleerd, nu is hij een van de meest voorkomende slakken in het meer. Jonge schollen die voor de sluiting van de dam in de Grevelingen zwommen, werden door de afsluiting opgesloten. De eerste jaren hadden zij geen last van de afsluiting, maar na een paar jaar wilden zij toch instinctief naar zee, omdat het water in het Grevelingenmeer niet diep genoeg is. Zij zwommen naar de dam toe, en bleven daar heen en weer zwemmen. De sportvissers hadden dit heel snel door en kwamen in groten getale naar de dam om daar te vissen. Bijna was de schol uit het Grevelingen gevist, maar er werden nieuwe schollen uitgezet en sinds de voltooiing van de doorlaatsluizen in de Brouwersdam kunnen de schollen daardoor naar de Noordzee zwemmen.
Toen de Grevelingen werd afgesloten was iedereen bang dat alle oesters in Zeeland zouden verdwijnen. Omdat door de strenge winter van 1962-1963 al bijna alle oesters waren uitgestorven was er nog maar weinig hoop. Op een dag werd ontdekt dat er in het Grevelingenmeer toch nog oesters zaten, en de vreugde werd nog groter toen men er achter kwam dat deze oesters elk jaar nog voor miljoenen jonge oestertjes zorgden.
Zo is wel gebleken dat vele dieren en planten door de afsluiting van de Brouwersdam en de Grevelingendam zijn verdwenen in het zoute Grevelingenmeer, maar dat in de plaats van hen ook vele nieuwe soorten zijn gekomen.