De watersnoodramp van 1953De DeltawerkenDeltaplanDe FinanciënDe dammenHollandse IJssel keringZandkreekdamVeersegatdamGrevelingenBrouwersdamVolkerakdamHaringvlietdamOosterscheldedamSt. PhilipsdamOesterdamMaeslantkeringTijdslijnOverzichtskaartWat is er veranderd door de DeltawerkenGuided TourZoeken over de siteHelpThe making of the site

brouwdam.gif (3010 bytes)

AlgemeenHet PlanDe bouwKabelbaanCaissonDoorlaatsluisNatuur

Terwijl men net begonnen was met de kabelbaan de zuidelijke geul te sluiten, werden de plannen die gemaakt waren voor de caissonsluiting van de noordelijke geul, die liep van de Kabbelaarsplaat naar Goeree, ook al uitgevoerd. Het was de bedoeling dat de sluiting, in tegenstelling tot andere caissonsluitingen zoals bij de Zandkreekdam en de Veerse Gatdam, geleidelijk zou verlopen. Men zou in de geul eerst een drempel van steen tot op 8 meter onder NAP maken zodat een derde van de geul al gesloten was. Daarna zouden de caissons op die drempel geplaatst worden, zodat er twee derde van de dam was gesloten, waarna op een bepaald tijdstip, dat af zou hangen van de sluiting van de zuidelijke geul, de caissons gesloten zouden worden. Caissons in het dok
Na onderzoek bleek dat de oppervlakte van het sluitgat wat door de caissons zou moeten worden gesloten 8000 vierkante meter zou moeten beslaan. Aangezien de breedte van de geul 800 meter was zou de diepte 10 meter moeten bedragen, de drempel hoefde dus 2 meter minder hoog te zijn. Omdat de sterke golfdeining die door het sluitgat komt de werkbaarheid met de caissons niet gemakkelijker maakt, werd besloten een zo klein mogelijk aantal caissons met dus een zo groot mogelijk oppervlak per caisson te maken, zodat er zo weinig mogelijk keren hoefde te worden afgezonken. Men begon in 1986 met het maken van 12 caissons met een lengte van 68 meter en een breedte van 18 meter, en 2 landhoofdcaissons. De verhouding lengte:breedte van de caissons is gelijk aan 3,8:1, dat is ook een zeer gunstige koersstabiliteit bij het slepen door de sleepboten naar het sluitgat. De diepgang van de ciassons is 6,10 meter, en de hoogte is 16,20 meter. Als de caissons zijn afgezonken tot 10 meter onder NAP is er dus nog een 6,20 meter hoog deel van de caisson boven water te zien. Elke caisson heeft 12 doorstroomopeningen van 5 meter breed waar het water met de getijdenwisseling vrij doorheen kan stromen.
Een caisson wordt naar zijn plaats gesleept Tijdens het transport naar de geul worden deze doorstroomopeningen afgesloten door houten drijfschotten om een kentering van de caissons te voorkomen. De caissons worden precies op hun plaats gebracht en met schuiven vergrendeld zodat ze tijdelijk op hun plaats blijven drijven. Dan wordt de caisson tot zinken gebracht door het openen van een 16-tal afsluiters met elk een opening van 50 cm. Er zitten 3 groepen van 4 afsluiters in de bodem van de caisson en nog eens 4 afsluiters in de wanden van de caissons. Als de caisson helemaal is volgelopen met water is hij tot op de bodem gezonken.
De doorlaatopeningen zijn nu nog steeds open, zodat het zeewater er met de getijdenwisselingen nog steeds door kan stromen. Alle caissons worden op deze manier één voor één naast elkaar gelegd en gezonken zodat er een "open dam" ontstaat. Omdat er tussen de caissons nog wel naden zitten omdat ze niet precies tegen elkaar te krijgen zijn, dit is vooral bij de laatst ingeschoven caisson het geval omdat deze er op een zijwaartse manier is ingeschoven, worden er tussen de caissons ketting-netten gespannen waartussen grind en stenen worden gegooid zodat die naden toch dicht komen. Toen alle caissons geplaatst waren en alles goed vast zat werden, tussen eb en vloed in toen het tij stil lag en er bijna geen stroming was, alle schuiven van de caissons gesloten. Er was nu een geheel afgesloten dam, en men had geen last van de stroming. Men ging nu de caissons opvullen met stenen en zand zodat er een stevige dam kwam, waarover men later nog veel meer zand zou spuiten.