Subductie is de naam van het proces waarbij een plaat onder een andere plaat geduwd wordt, de eronder liggende mantel in, als platen naar elkaar toe drijven. De plaat die het meest ondoordringbaar is van samenstelling zal onder de dikste plaat glijden die wat minder compact van samenstelling is. In dit proces ontstaan ook breukvlakken. Hierbij breken en barsten rotsen en bewegen of worden verplaatst langs de breuken. De beweging van de schuivende plaat gaat met horten en stoten en dat veroorzaakt weer aardbevingen. De streek waar dit soort verschijnselen voorkomen noemen we een subductie-zone.
Een lange, diepe, nauwe spleet wordt gevormd: de trog.

(Fig 1.12) Subductie
|
De hortende en stotende beweging en de wrijving tussen de platen veroorzaken een grote hitteontwikkeling. Gecombineerd met de hitte van de mantel is dit de oorzaak van het smelten van de onderschuivende plaat (de subductie-plaat). Hierdoor ontstaat magma. Die magma komt omhoog door barsten in de aardkorst en bereikt dan het oppervlak om daar vulkanen te vormen. Tenslotte is het mogelijk dat de hitte zo intens wordt dat grote stukken aardkorst smelten en granietlagen gaan vormen vlak onder het oppervlak. De omgeving waarin zulke plaatbewegingen plaatsvinden noemen we "destructief" omdat de onderschuivende plaat smelt en vernietigd wordt.
Als platen naar elkaar toedrijven zijn de tegengestelde krachten ten opzichte van elkaar zo hevig dat plooien en buigen van rotsgesteenten ook voorkomen aan de randen van de wat minder dikke plaat. Een reeks bergen wordt dan gevormd. Een voorbeeld van zo'n gebergte is de Himalayas.
|