Molens in Nederland Typisch Hollands

Verschillende typen molens

Ieder, die op zijn tochten door Nederland van de natuur en de molens geniet, zal graag het onderscheid willen weten tussen de verschillende typen molens die men tegenkomt.

Zuid-Hollandse poldermolen

Het klassieke molentype is de zogenoemde kloeke Hollandse molen, die in de provincie Zuid-Holland bekend staat als 'grote achtkant'. Het is een 'bovenkruier', bestaande ut een achtkante stenen onderbouw en een mooi getailleerd lijf, dat bekleed is met riet. De kap van deze molen is beweegbaar en op de wind te kruien met behulp van het staartwerk en het daaraan bevestigde kruirad. Door het wielenkruis recht op de wind te zetten kan de molen in beweging gaan en zijn maximale kracht ontwikkelen.

 

Noord-Hollandse poldermolen

De Noord-Hollandse molen, die veel op de Zuid-Hollandse poldermolen lijkt, is wat zwaarder van vorm, de onderbouw is hier niet van steen maar van hout. Het is een 'binnenkruier'

 

 

 

Torenmolen

 Een binnenkruier, die wat zijn eerste vermelding betreft beduidend ouder is dan de Noord-Hollandse poldermolen, is de zogenoemde ronde stenen torenmolen. Dit type molen wordt reeds in 1450 genoemd en is nog aanwezig in Gelderland en Limburg. Ook van deze molen is alleen de kap verkruibaar. Hij is ingericht tot korenmolen.

 

 

Stellingmolen

Een molen, die binnen de bebouwing staat moet hoog zijn om voldoende wind te vangen. Om dan toch nog de molen te bedienen moet er halverhoogte een stelling komen. Men spreekt dan van een 'stellingmolen'. Beneden beschikt men over een grote ruimte om met paard en wagen of auto naar binnen te kunnen rijden om het graan aan te voeren of het meel op te laden om het naar de klanten te brengen.

 

 

 

Bergmolen of beltmolen

Wanneer men een soortgelijke stellingmolen bouwt in een kunstmatige heuvel, kan men vanaf de grond de molen bedienen en neemt de grond de taak van de stelling over. In de heuvel is dan ruimte uitgespaard, zodat men aldaar voor aan- en afvoer van granen, resp, meel kan in- en uitrijden. In dat geval spreekt men van een 'bergmolen' of van een 'beltmolen'.

 

 

 

Paltrokmolen

Voor het zagen van hout (dat destijds voornamelijk over water werd aangevoerd) stonden de houtzaagmolens aan vaarwater. De paltrok kon in zijn geheel kruien en was ingericht tot het zagen van boomstammen.

 

 

 

 

Wipmolen

Een type poldermolen, minder sterk dan de bovenkruier, is de 'wipmolen'. Bij deze molen is het hele bovenhuis draaibaar om een koker, die in verticale stand wordt gehouden door de piramidevormige constructie van de ondertoren.

 

 

 

 

Standerdmolen

Tenslotte nog een zeer oud molentype, dat men zal kunnen zien in het midden en zuiden van ons land. Een type dat eigenlijk het oertype is van de windmolen. Het is de 'standerdmolen'. Van deze draait zich het hele huis rond; het huis is aanmerkelijk groter dan het bovenhuis van een wipmolen. Het draait om een spil of staander die tot beneden doorloopt. Afhankelijk van de omstandigheden of het ondergedeelte geheel gesloten dan open is, spreekt men van een gesloten of open standerdmolen.