Later, in 1859, fokte Thomas Austin 24 konijnen, 5 hazen en 72 patrijzen en liet ze met de kerst los op zijn eigen landgoed, dat ‘Barwon Park’ heette, dat net buiten Geelong in Victoria lag.
Vanuit ‘Barwon Park’ verspreidden de konijnen zich naar het noorden en het westen. In 1866 werden er nog meer konijnen losgelaten in Kapunda, South Australia. Daarna duurde het maar 15 jaar voordat ze New South Wales hadden bereikt. Ze bereikten in 1887 de zuidwest grens van Queensland, in 1894 werden ze voor het eerst gesignaleerd in Northern Territory bij Charlotte Waters, en in 1900 waren er wilde populaties in Western Australia. Het leek erop dat er niets tegen gedaan kon worden, en . In 1890 was de konijnenpopulatie zo groot dat het een plaag werd en er iets ondernomen moest worden.
In 1907 was het langste anti-konijnen-hek klaar. Het was gemaakt door de overheid van west Australië en het was 1833 kilometer lang. Het liep van Starvation Boat Harbour in het zuiden naar Cape Kerudren.
Het probleem was dat tegen de tijd dat de anti-konijnen-hekken klaar waren, de konijnen allang het gebied binnen waren gegaan waar het hek hen uit zou moeten houden.
In de jaren ’50 werd er een virus geïntroduceerd. Het heette Myxoma Virus en het veroorzaakte de dodelijke ziekte Myxomatose. Het voorstel van de introductie van het Myxoma virus in Australië was in 1918 naar voren door de Braziliaanse geleerde H. de Beaureparie Aragao. Het werd aanvankelijk verworpen omdat het Myxoma virus niet zou werken, maar de konijnenpopulaties werden steeds groter. Uiteindelijk begonnen speciaal opgeleide geleerden van de Australische regering en de CSIRO na te denken over de mogelijkheid van de introductie van het Myxoma virus.
Er werden proeven gedaan in Engeland, Denemarken, Zweden en South Australia. Ze waren niet succesvol, maar de CSIRO volhardde in de ontwikkeling van het virus. Uiteindelijk hadden ze een virus ontwikkeld dat effectief en soortgericht was (alleen zou werken op specifieke soorten). Het Myxoma virus werd vrijgelaten in 5 verschillende gebieden in de Murray River valley in het zuiden van New South Wales.
Tenslotte verloor het virus zijn effect en de populaties herstelden weer doordat de konijnen die immuun waren voor het virus bleven leven. De CSIRO introduceerde de Europese konijnenvlo in 1957 en opnieuw in 1966 om te proberen het virus een nieuwe stimulans te geven. Ook hier was het effect van korte duur. Uiteindelijk werd in 1993 de Spaanse konijnenvlo geïntroduceerd in de hoop de konijnenplaag te verhelpen, maar de vlo stierf uit in de warme gebieden.
In 1995 werd er een Calicivirus (RHD, RCD) ingevoerd waardoor het aantal konijnen naar beneden werd gebracht, maar de populatie herstelde weer. Nu is de CSIRO bezig een immunocontracept te ontwikkelen om het aantal konijnen te verminderen.