Hoofd > Konijnen

Natuurlijke leefomgeving en aanpassingsvermogen

Konijnen


Konijn.
©Stetson.edu.
Konijnen komen overal in Australië voor, omdat ze zich zeer goed aan klimaten kunnen aanpassen. De enige plek waar ze niet gevonden worden is in het tropische gebied van het land. Het is niet bekend of dat komt door de verandering in het klimaat. Konijnen worden zowel in het noordoosten van South Australia gevonden, als daar waar gunstige, diepe zandgronden zijn.

Het Europese konijn (Oryctolagus cuniculus) verschilt van de Cottontail Rabbit (Sylvilagus floridanus) die ook wel North American Rabbit wordt genoemd. De konijnen die in Australië worden gevonden zijn Europese konijnen. Konijnen komen oorspronkelijk voor in Afrika, Spanje, het zuiden van Frankrijk en uiteindelijk in heel Europa, en in de ‘nieuwe wereld’ van Azië. Het is maar moeilijk te geloven dat tijdens de laatste ijstijd deze dieren die overal aanwezig waren en zo’n groot aanpassingsvermogen hadden, verdwenen, totdat de mens ze weer terugbracht.

Franse monniken begonnen tussen de vijfde en de tiende eeuw konijnen te temmen. Konijnen werden door de Fransen als een delicatesse gezien, dus toen de Anglo’s (de Franse stammen) de Normandiërs (de Britse stammen) aanvielen in de elfde eeuw brachten ze het konijn mee.

Konijnen waren nog zeldzaam buiten de ‘konijnenboerderijen’. Het lot van de konijnen bleef tot de negentiende eeuw onveranderd.

Ten gevolge van het planten van hagen, de veranderingen in de landbouwmethoden, de afname van het doden van konijnen door zijn natuurlijke vijanden, bijvoorbeeld vossen, en ten gevolge van de jachtsport bloeide de konijnenpopulatie op. Er waren meer schuilplaatsen, minder roofdieren en er was meer voedsel. Perfect voor de terugkeer van een dier met een zeer groot aanpassingsvermogen.

Konijnen werden, toen de ontdekkingsreizen begonnen, op eilanden ingevoerd als voedsel voor de zeelui die schipbreuk hadden geleden, en domineerden al snel de ecosystemen daar. De ecosystemen waren niet op deze overname en verandering voorbereid. Konijnen houden van zachte zandgrond, waar ze een hol in kunnen maken, en dat zand was daar overvloedig aanwezig. Het dier had geen natuurlijke vijanden op het eiland. Het duurt voor een ecosysteem duizenden jaren zich aan te passen aan een kleine verandering, dus zo’n plotselinge introductie zou vanzelfsprekend een gigantisch effect hebben op het leven op het eiland. Konijnen werden op ongeveer 800 eilanden geïntroduceerd en ze worden er nog steeds gevonden, aan de top van het ecosysteem of de voedselketen.

Mensen hebben heel erg meegeholpen aan de vestiging van konijnen in Australië, zelfs meer dan ze denken. De ontwikkeling van de landbouw in Australië heeft ervoor gezorgd dat er net zo’n terrein ontstond als de boerderijen in Engeland en Europa hadden, en zorgde daardoor voor voedsel voor het beest.

De Greater Bilby en de Brush-Tailed Bettong, die inheemse dieren zijn, zijn holdieren. Toen de konijnen in de gebieden kwamen waar deze dieren hun leefgebied hadden, begonnen ze deze te domineren. Ze aten het voedsel dat de kleine buideldieren aten, en lieten weinig of niets over voor de andere dieren. Ze namen hun holen over zodat de buideldieren geen schuilplaats meer hadden en ze kwetsbaar waren voor hun natuurlijke vijanden en de later geïntroduceerde soorten, zoals de vos en de wilde kat.

Konijnen hebben zich aangepast aan alle soorten terreinen. Wat hen daarbij heeft geholpen is hun hoge voortplantingscijfer. Hoe sneller een dier zichzelf vestigt, hoe sneller het het ecosysteem domineert. Hoewel konijnen seizoensgebonden jongen, kunnen ze het hele jaar door jongen. De draagtijd is ongeveer 30 dagen en een worp bestaat uit 5-8 jongen. Een vrouwtjeskonijn kan vanaf de leeftijd van 8 maanden jongen krijgen.

©2003 ThinkQuest 2003 Team 00128: Willem, Hilary, Anneke, Sigit en Coaches: Carol, Dirk-Jan.
Alle rechten voorbehouden. [ SCHAKEL NAAR LICHTE VERSIE ] [ ENGLISH | NEDERLANDS ]