De oorsprong van de kat (Felis catus) in Australië is onbekend. Ze zijn er geweest sinds de Europeanen zich vestigden in Australië, geïntroduceerd door de Nederlandse ontdekkingsreizigers of Engelse kolonisten, maar verder is hun oorsprong onbekend. Er zijn enkele verklaringen die suggereren dat de kat kwam van Europese ontdekkingsreizigers en handelaren die schipbreuk leden, veel eerder dan de Engelse vestiging in 1788.
Men neemt aan dat ze naar Australië gebracht werden als metgezellen van de kolonisten of als verstekelingen. Ze ontsnapten en trokken de Australische wildernis in op zoek naar voedsel omdat er aan de kust niet genoeg voedsel was om te overleven. De meeste kwamen nooit terug en bleven in het binnenland. Hun aanwezigheid had een aanzienlijk effect op het Australische ecosysteem. Rond 1850 hadden verschillende groepen wilde katten zich gevestigd in het wild. Sindsdien hebben de wilde katten het Australische landschap geteisterd.
Van de laat 19e eeuw tot de vroeg 20e eeuw werden katten losgelaten in het wild om de konijnen-wildgroei aan te pakken. Toch was het effect dat de katten hadden op de konijnenpopulatie minimaal. De wilde kattenpopulatie groeide echter geweldig en ten gevolge daarvan slonk het aantal aantal inheemse dieren enorm.
In Queensland werd de wilde kat verklaard tot een pest in de
New Land Protection Act 2003. In deze wet wordt beschreven hoe
de voedselroutes beschermd moeten worden en dieren die deze
voeselroutes bedreigen beheerst moeten worden.